Logo Joannes Késenne

madpxl

Samenvatting Doctoraat

Onze onderzoeksvraag heeft betrekking op de problematiek van de melancholie binnen de psychoanalytische psychopathologie: hoe kan het debat inzake de positie van de melancholie binnen de categorieën neurose, psychose en perversie worden opgeklaard? Dit proefschrift wil onderzoeken in hoeverre een als melancholisch beschouwd beeldend oeuvre uitsluiting kan geven over deze kwestie.

Vooraleer de melancholie in het begin van de twintigste eeuw door de psychoanalyse werd geconceptualiseerd, onderging het begrip doorheen onze westerse cultuurgeschiedenis opmerkelijke betekenisveranderingen. Vanuit de kosmologische orde van de vier elementen, ontwierpen de Oude Grieken een leer van de vier humoren, waarbij een evenwicht tussen de vier lichaamssappen (bloed, gele gal, zwarte gal en hersenvocht), de vier seizoenen en corresponderende lichamelijke kwaliteiten de basis vormde. Bij overwicht van één van de humoren, zoals van de zwarte gal, zou de mens vervallen tot melancholie, met angst, mensenhaat en neerslachtigheid tot gevolg. Melancholie werd niet alleen opgevat als een ziektetoestand, maar ook als een psychologisch temperament, een menstype. Tevens zal Aristoteles reeds vroeg een verband leggen tussen melancholie en creativiteit. Het is ook die – op het eerste gezicht – bevreemdende connectie, die gedurende heel de cultuurgeschiedenis de geesten zal beroeren. We zien dus hoe van bij de aanvang zowel filosofische en mythologische, als geneeskundige en psychologische aspecten het begrip voeden, waarbij ook de astrologische connotaties niet vergeten worden.

In ‘Hoofdstuk 1’ van dit proefschrift schetsen we in beknopte vorm deze begripsmatige achtergrond doorheen de verschillende cultuurhistorische periodes: hoe de melancholie tijdens de middeleeuwen schuil ging onder het theologische begrip acedia, hoe sinds de renaissance beeldend kunstenaars in hun werk diverse metaforen zullen verbinden aan het begrip, hoe in de barok het stilleven de beeldende representatie wordt, hoe in het neoclassisicme de ruïne die betekenis zal dragen en doorheen de negentiende eeuw vooral mythologische symboliek inhoud verleent. Bij modernistische kunstenaars genieten filosofisch-psychologische connotaties het overwicht. Het begrip melancholie oscilleert op die wijze bestendig tussen twee polen: enerzijds de geneeskundig-psychiatrische traditie en anderzijds de filosofisch-artistieke traditie.

Het is dan ook niet verwonderlijk te noemen dat de pioniersgeneratie van de psychoanalyse (Freud, Abraham, Klein, Segal en Winnicott) deze beide tradities in haar begripsvorming zal verwerken. We maken in ‘Hoofdstuk 2’ een bestek op van de psychoanalytische theorie van de melancholie zoals die zich binnen de freudo-lacaniaanse school heeft ontwikkeld. Meteen zal ook het debat opduiken over de vraag welke positie men de melancholie moet toewijzen binnen de psychopathologische classificatie. In de geschriften en seminaries van Lacan treffen we op minder systematische wijze een bijdrage aan tot dit debat. Binnen de structurele diagnostiek, die binnen de psychoanalyse gebruikelijk is, loopt inmiddels bij de neofreudianen en neolacanianen het onderzoek verder naar de positionering van de melancholie binnen de categorieën van neurose, psychose en perversie.

Zo gaan we in ‘Hoofdstuk 3’ binnen de psychoanalytische vakliteratuur bij neofreudianen en neolacanianen op zoek naar de diverse standpunten die terzake worden ingenomen. Op basis van die vergelijkende literatuurstudie hebben we vier verschillende posities kunnen isoleren: melancholie als

  • narcistische neurose (Kristeva, Hassoun, Triandafillidis, André);
  • neolacaniaanse psychose (Laurent, Soler, Cottet, Morel, Pellion, Bousseyroux, Grasser, Miller, Solano-Suârez, Gault, Derbez);
  • freudo-fenomenologische psychose (Heidegger, Binswanger, Tellenbach, Kobayashi, Abraham-Törok);
  • autonome psychische structuur (Lambotte, Vereecken, Allouch).

We hebben deze theoretische nuances op een parafraserende wijze weergegeven.

Omdat een onderling wetenschappelijk debat ten gronde binnen de psychoanalytische gemeenschap nauwelijks gevoerd wordt (de psychoanalytische wereld bestaat uit vrij diverse scholen, verenigingen en kringen die onderling weinig communiceren) hebben we geopteerd voor de invalshoek om bij de beeldende kunst te rade te gaan. Deze optie is gebaseerd op twee overwegingen:

  • in de cultuurgeschiedenis van de melancholie heeft er bestendig een link bestaan tussen wetenschap en kunst;
  • Sigmund Freud heeft expliciet geformuleerd dat de kunst vaak aan de theorie voorafgaat en dat de psychoanalyse kan leren van de artistieke creativiteit.

Methodologisch stelt zich dan de vraag hoe men de beide talen, die enerzijds binnen de psychoanalytische theorievorming en anderzijds binnen de kunsttheorie gangbaar zijn, met elkaar in verbinding kan brengen. Dit proces leest men in ‘Hoofdstuk 4’. De vier psychoanalytische theorieën over de melancholie werden telkens in zeven, fundamentele themata gevat: symptomatologie, psychogenese, psychisch mechanisme, concept, genot, discours en fantasma. Om te beginnen hebben we op basis daarvan het tekstmateriaal uit de psychoanalytische vakliteratuur gesynthetiseerd. Vervolgens werden de gesynthetiseerde inhouden in werkbare datamatrixen gegoten. We hebben dit tekstmateriaal stapsgewijze over drie niveau’s van datamatrixen gereduceerd tot hanteerbare kernbegrippen.  Een volgende, cruciale stap bestond erin tot een interdisciplinair connotatieschema te komen dat toelaat om een kwalitatief onderzoek uit te voeren dat het psychoanalytische taalgebruik en het specifieke taalgebruik dat door kunsthistorici, -theoretici en -critici wordt gehanteerd in de receptie van een kunstenaarsoeuvre vergelijkt. Dit connotatieschema voorziet in inhoudelijke linken tussen de hoger genoemde zeven psychoanalytische themata en zeven overeenkomstige, semantische velden uit de kunstwetenschap.

Vanuit dit methodologisch referentiekader als achtergrond kon dan het systematisch onderzoek worden aangevat naar de invulling van de datamatrixen met materiaal uit de receptie van een kunstenaarsoeuvre. Terwille van het feit dat de periode van de Pittura Metafisica (globaal tussen 1910-1920) in het oeuvre van de schilder Giorgio de Chirico in de receptie als een exemplarisch voorbeeld van melancholisch werk wordt beschouwd, hebben we ervoor geopteerd om achttien iconische kunstwerken (verspreid over vijf beeldclusters: de Ariadne-reeks, de Grote Metafysicus, de Verloren Zoon, Ruimte/tijd en de Portretreeks) uit die periode te selecteren. Vervolgens hebben we een vergelijkende literatuurstudie uitgevoerd naar de meest gezaghebbende kunstkritieken van de laatste vier decennia die handelen over die achttien werken uit de periode van de Pittura Metafisica (het beeldmateriaal vindt men in ‘Bijlage 8’ van ‘Boekdeel 2’). De parafrasen van deze kunstkritieken zijn systematisch gebundeld in de ‘Bijlagen 1 tot 5’ (zie ‘Boekdeel 2’). De synthetiseringen ervan zijn dan aangewend om invulling te geven aan de datamatrixen in ‘Hoofdstuk 5’ van ‘Boekdeel 1’. Met het interdisciplinair connotatieschema als referentiekader werden tekstanalyses uitgevoerd waarin naar overeenkomstigheden werd gezocht met gegevens uit één of meerdere van de vier psychoanalytische theoriëen. Op basis van deze gevalstudie van Giorgio de Chirico hebben we afgetoetst welke van de vier psychoanalytische theoriëen inzake de melancholie het meest aansluiting vindt bij de kunstkritische receptie inzake de melancholie.

Tot welke conclusie zijn we dan in ‘Hoofdstuk 6’ kunnen komen? Op basis van het feit dat de gevalstudie niet op eenduidige wijze uitsluitsel geeft over één van de vier psychoanalytische theorieën, werpt de vraag zich op of de structurele, psychoanalytische psychodiagnostiek zélf niet dient te worden bevraagd of tenminste dient verfijnd te worden. Voor de meeste van de zeven themata worden namelijk overeenkomstigheden gevonden bij zowel de theorie van melancholie als neolacaniaanse psychose als de theorie van melancholie als een autonome psychische structuur. Bij beide theoriëen cirkelt het evenwel omheen de formule van melancholie als het reële tekort aan een symbolisch object met als agens een imaginaire vader.  Maar over de interpretatie van die kwestie van de privatie blijven de opvattingen tussen die twee theoriëen verdeeld (zie een analyse van dit debat in ‘Bijlage 7’ van ‘Boekdeel 2’).