Logo Joannes Késenne

madpxl

Psychose

Belangrijk is om neurose, psychose en perversie te begrijpen als drie, antropologische structuren waarmee mensen – vroegkinderlijk – in het leven staan. Die structuur blijft een leven lang aanwezig. Deze structuren zijn te beschouwen als zijnswijzen, basishoudingen, basispatronen die een menselijk subject inneemt tegenover genot, taal, maatschappij, de ander, regels, verlangens, ambitie, liefde, kennis, enz. Deze drie structuren zijn dus dire van mekaar verschillende manieren van in het leven te staan. Er zijn welbepaalde psychische mechanismen, die in een vroeg stadium van ons leven, verantwoordelijk zijn voor deze “subjectieve keuze” (ik zet keuze tss haakjes, omdat  voor ofwel neurose, psychose of perversie uiteraard niet wordt gekozen op een rationale wijze, maar wèl dat de infans zich deze structuur emotioneel toeëigent, daarin stapt, omdat de omgeving hem/haar geen andere keuze laat). Het is dus een persoonlijkheidsstructuur die in verhouding tot de twee seksen, de mannelijke en de vrouwelijke positie, wordt ingenomen. Men moet structuren dan ook onderscheiden van symptomen.

In de neurotische structuur (mechanisme van verdringing), wordt het onmogelijk verlangen van het subject om alles (de fallus) te zijn voor de moeder afgeblokt door het feit dat het subject zich weet te identificeren met het vaderlijk verbod. Het incestueus verlangen wordt door de neuroticus op symbolisch niveau overwonnen. We noemen dit de symbolische castratie. Er blijven wel resten van symptomen over. Bijvoorbeeld een hystericus/ca voert de imaginaire wonde van het verlies v/d moederlijke fallus telkens opnieuw op in zijn/haar lichamelijke dysfuncties (scènes van theatraal verdriet of woede). In de hysterie is er verzet tegen de vaderlijke regel die het sekseverschil invoerde De hysterie blijft de vraag stellen: ‘Ben ik een man of een vrouw?’ De dwangneuroticus/ca daarentegen leeft verder met fantasieën over de vaderlijke seksuele potentie en zet die om in dwangmatige rituelen of dwanggedachten. Ondanks dit symptomatisch beklag en lichamelijk/geestelijk lijden (de ongemakken, teleurstellingen en mislukkingen van ieder van ons), wil de neuroticus erbij zijn in de vaderlijke, symbolische wereld waarin normen, wetten, afspraken, enz. gelden. Een wereld voorbij aan het imaginair doodgeknuffeld worden binnen een duele relatie. In de seksuele relatie met de partner wil de neuroticus (met al zijn fantasieën) zich wel graag - af en toe - onderdompelen binnen dat lijfelijk, intiem genot van eenheid. Maar hij/zij weet dat de werkelijke wereld zich daarbuiten bevindt.

De neuroticus/ca heeft zijn verlangen naar de moederlijke incest verdrongen: dit leeft alleen verder in zijn onbewuste.

In de psychotische structuur (mechanisme van verwerping) heeft het subject zich niet weten los te weken uit het moederlijk verlangen. De vaderfunctie is mislukt, er heeft geen symbolische castratie plaatsgehad. Deze mislukking leidt tot paranoïde angsten van lichamelijke verbrokkeling of wanen van fallische almacht. De fallische betekenaar van vaderlijk verbod – le “non” du père – zet integendeel een hele reeks van regressieve impulsen in werking. Dus de “naam” (le nom) van de vader, die tegelijkertijd een “non” is voor het subject tgo het moederlijk verlangen, heeft zich niet geïnstalleerd. De naam v/d vader is namelijk de betekenaar waarmee we ons inschrijven binnen de symbolische orde (afstamming, wettelijke registratie, diplomamaatschappij, contracten, enz.) De psychoticus/ca bereikt geen subjectieve identiteit binnen de wereld van communicatie tussen anderen, binnen sociale normen. Het IK v/d psychoticus/ca staat op de eerste plaats. Zijn Moeder / de andere is secundair. De solitaire zelfportretten van psychotici tasten de gelijkenis af met de moeder in de spiegel. Hij/zij wil deze wel tonen aan de vaderlijke Ander. De kunst kan in die zin een rol van betekenis spelen, omdat ze tenminste een zoektocht is naar vaderlijke erkenning. De psychoticus leeft met de waan van fallische almacht van de moeder. In de paranoïa bijvoorbeeld, verkiest de psychoticus/ca eerder object te zijn van een imaginaire achtervolging, dan ongezien en onerkend te blijven.

De psychoticus/ca loopt te koop met zijn verlangen naar de moederlijke incest: hij/zij heeft de Naam-v/d-Vader verworpen, buiten zichzelf geworpen. Hij/zij leeft dus met een leegte, een gat i/d symbolische orde. Hij creëert voor zichzelf dus zijn eigen wereld, die niet “onze” wereld is. De psychotische creatie verdraagt die leegte niet. Zijn/haar kunst is eerder decoratie van zijn  zelf. Want hoe te leven met die afstand van de ander? Men kan de kunst van psychotici begrijpen als een poging de symbolische wereld binnen de eigen waan te reconstrueren, terug op te bouwen.