Logo Joannes Késenne

madpxl

Het lot te Weimar

De geschiedenis heeft de filosoof Arthur Schopenhauer op één punt alvast gelijk gegeven, namelijk in de beroemde woordenwisseling met Johanna, zijn moeder en notoire romanschrijfster, over het historisch gewicht van hun beider pennenvruchten. Toen Arthur fier een exemplaar van zijn doctoraat in de wijsbegeerte, getiteld 'Over de viervoudige wortel van de wet van de toereikende grond', aan zijn moeder cadeau deed, plaagde ze: 'Zeker iets voor apothekers!' Gekwetst pareerde de jongeman met: 'Mijn werk zal nog gelezen worden wanneer van jou nauwelijks nog een exemplaar in de rommelkamer zal liggen.' Johanna gaf hem gevat lik op stuk met: 'Van het jouwe zal de hele oplage nog te krijgen zijn!' Maar al voor Johanna's dood viel haar literatuur aan vergetelheid ten prooi. En van Arthurs meesterwerk 'De wereld als wil en voorstelling' raakte in 1819, het jaar van publicatie, inderdaad nog geen honderd exemplaren de deur uit. Maar in 1853, 34 jaar na publicatie, de man was inmiddels 65, ontketende een recensie in de Westminster Review een storm van belangstelling. Zijn wijsbegeerte veroverde een ereplaats in de geschiedenis van de filosofie. Misschien iets om te onthouden voor de hype uitgevers die thans ons letterland bevolken....

HET SPROOKJE VAN DE MOEDER EN DE FILOSOOF

In het Duitsland van de eerste helft van de negentiende eeuw bleef de filosoof inderdaad 'de zoon van Johanna Schopenhauer'. Einde deze eeuw echter zijn de lettervretertjes nieuwsgierig naar haar reisverhalen, omdàt het 'de moeder van de grote filosoof' betreft. Maar om heden nog iets van Johanna aan te treffen, moet je met een vergrootglas snuisteren in stoffige universiteitsbibliotheken. Gelukkig vertaalde recentelijk het Davidsfonds de vlot geschreven reisbeschrijving van Johanna doorheen het 'België' van het jaar 1828. Samen met dochter Adèle, hangt ze de kunsttoerist uit. En als men meent dat alleen Amerikanen of Japanners vandaag vlinderen tussen onze cultuurtempels: Johanna liep in Brugge op een drafje langsheen het Memlingschrijn en het marmeren madonnabeeld van Michelangelo ('Het lijkt wel alsof de Bruggelingen niets anders te doen hebben op deze wereld dan zo veel mogelijk naar de mis te gaan in de voormiddag en 's avonds nog een eredienst bij te wonen.'), of nam te Mechelen slechts de afgemeten tijd nodig om reizigers te laten afstappen van de diligence om in één oogopslag de  kathedraal te bekijken. Het boek is onderhoudend informatief én boeit door de vrijblijvende impressies. De lezer volgt de even verlichte als aristocratische geest van een vrouw die verzot is op de kunstschatten van onze steden, maar geen snars begrijpt van de politieke omwentelingen die deze gewesten te wachten staan. Men zou haast nostalgisch terug verlangen naar dat arcadische land van melk en honing. Slechts de pittorekse eigenschappen van ons brave volk vallen haar op: vriendelijk, behulpzaam, ijverig, proper, hartelijk, ... Is het de naïeve wereldvreemdheid van een dillettant? Veeleer lijkt het een symptoom te zijn van Weimaritis. Johanna vertoefde inmiddels al ruim twintig jaar in deze intellectueel incestueuze site van waaruit men de cultuurgeschiedenis graag verpamperde.  
 
Obscure uitgevers uit het voormalige Oost-Duitsland of Oostenrijk hebben de laatste jaren, na meer dan anderhalve eeuw stilzwijgen, opnieuw werk van haar op de planken staan. Maar schopenhauerfanaten, uit op meer details over de kleine Arthur, komen van een kale reis thuis: de naam van haar zoon komt zelfs niet één keer voor in het reisverhaal dat ze pleegt over haar 'Grand Tour' in het boek 'Promenade unter südlicher Sonne. Die Reise durch Frankreich 1804.' (het jaar waarin Napoleon pas terug was van zijn strooptocht in Egypte en zich tot Keizer liet kronen), hoewel ze anderhalf jaar in gezelschap van haar zoon en echtgenoot zweette en zuchtte. Die hebben wellicht hun mond niet mogen opendoen van de praatzieke dame. Op pagina 256 staat er uiteindelijk, onderweg in het Montblanc-massief bij Chamonix: 'Dem älteren Teil unserer Reisegesellschaft kamen diese Anstalten doch so bedenklich und unbequem vor, dass er nach kurzem Beraten sich entschloss, mit unserm Wagen wieder nach Genf zurückzukehren; wir Jüngeren aber blieben mutig dabei, das Weitergehen wenigstens zu versuchen.'  Met 'het oudere gedeelte' werd haar man bedoeld, met 'wij jongeren' zij en haar zoon. In de novelle 'Der Schnee' uit 1825 zal ze deze Montblanc-ervaring dweperig verwerken als achtergrond voor een verhaal over een vader-dochter problematiek. De woeste Alpenlandschappen waren zeer in de mode in de goethetijd. Dit overweldigende decor leende zich tot een zweverige Sehnsucht naar Unheimlichkeit en dood. Maar Johanna wordt tijdens haar Frankrijkreis vooral geschokt door de abjecte armoede en smerigheid waarin het Franse volk zich wentelt, maar begrijpt dit louter als de nasleep van de revolutiejaren. Ze ergert zich aan de gestolen kunstschatten die Parijs verspreid heeft over de provinciesteden, hetgeen overal het ontstaan geeft aan musea waaraan elke deskundige leiding ontbreekt.

Terwijl Johanna voor een salonfähig vrouwenpubliek een onderhoudend reisverhaal neerpent (daarbij overigens gebruikmakend van de notities waartoe zoonlief toen elke dag verplicht werd), zal haar zoon later verslag geven van dezelfde reis in profetische bewoordingen: 'Op mijn zeventiende werd ik, zonder veel schoolopleiding te hebben genoten door de "ellende des levens"even sterk aangegrepen als Boeddha toen die in zijn jeugd in aanraking kwam met ziekte, ouderdom, pijn en dood. (...) Ik kwam tot de slotsom dat deze wereld niet het werk van een volmaakt goed wezen kon zijn, maar dat van een duivel die schepselen had opgeroepen om zich in de aanblik van hun kwellingen te verlustigen.' Want Arthur onthoudt vooral de bloedsporen van de Revolutie, de guillotine en de verhangingen, hij is bang voor de plunderende bendes op de gevaarlijke diligenceroutes tussen de steden en de 'onuitstaanbare opdringerige menigte vrouwen die met messen zwaaien' in de dorpen, hij ziet de uitzichtloze ellende van de galeislaven in Toulon, hij voelt de angst voor de pest in Marseille, hij walgt van de animale warmte van opeengehoopte, stinkende mensen in een berghut. Het voedt zijn filosofische gedachte dat wij allemaal 'galeislaven van de wil, van de blinde drang tot zelfhandhaving' zijn.   
 
De stormachtige jaren, die volgen op de reis, zullen bepalend zijn voor het verdere leven van moeder en zoon. Respectievelijk echtgenoot en vader Heinrich Floris Schopenhauer wordt zwaar ziek en doet ten slotte een dodelijke val op 20 april 1805. Arthur zal zijn moeder zijn levenlang de schuld geven van de vermoedelijke zelfdoding van zijn vader. Hij vergeeft het haar niet dat ze feestjes gaf en zich amuseerde, toen zijn vader ziekelijk en beroerd aan zijn rolstoel was gekluisterd. En Johanna voelt zich al te zichtbaar bevrijd van haar vervelend leventje aan de zijde van deze veel oudere, melancholische koopman in dat koele noorden van Duitsland. Ze verhuist in mei 1806 al naar de Olympus van het Duitse geestesleven: het stadje Weimar in Thüringen. De theoloog Herder en de dichter Schiller hadden er hun namen aan verbonden, de grote literator Wieland en de dichter Goethe flaneerden er als hofkunstenaars van de verlichte Hertog Carl August von Sachsen-Weimar-Eisenach. Maar in oktober van datzelfde jaar richten de huzarentroepen van Napoleon een ravage aan in het stadje: ze verkrachten, plunderen en stichten brand. Johanna ontsnapt handig aan de soldatenwoede. Ze onthaalt de wildebrassen op een rijk gevulde tafel en laat de negenjarige Adèle liefelijk vragen of ze nu niet willen doorgaan, want ze moet slapen ... Hofrätin Johanna Schopenhauer was een vrouw van de wereld. De filosoof Ludwig Feuerbach omschreef haar ooit als volgt: 'Een rijke weduwe, maakt van geleerdheid haar beroep. Schrijfster. Praat veel en goed, verstandig; gevoelloos en kil. Zelfingenomen, aast op complimenten en glimlacht voortdurend om zichzelf.'

'DAS SCHLOSS' OP EEN MESTHOOP

Zoon Arthur probeert een tijdlang de wens van vader zaliger op te volgen om zakenman te worden en kniesoort op het kantoor van senator Jenisch. Op aanraden van zijn moeder probeert hij middelbare studies op het gymnasium van Gotha, maar houdt het regime daar niet uit. Ook hij wisselt het rijk van de noodzaak in voor de belletristische schittering van Weimar. Op 23 december 1807 rolt de postkoets met Arthur aan boord de straten van Weimar binnen. Hij heeft zich voorgenomen om zich hier door zelfstudie en privélessen voor te bereiden op de universiteit. Zo idyllisch moeten we ons het Weimar uit die dagen nu ook niet voorstellen. 'Geheimraad Goethe' had weliswaar de belangrijkste straten en pleinen laten verharden, de vreemdelingen wegenbelasting laten betalen, een snelheidsbeperking voor koetsen ingevoerd en een rookverbod op straat afgekondigd! Maar Weimar was meer een heiligdom "in" de geest, dan van de welvaart: een vervallen provinciestadje van nauwelijks 10.000 zielen zonder industrie of handel, geen bourgeoisie, veel ambachtslieden, geen bouwstijl van enig residentieel niveau, varkens die door de straten zwierven, grazende koeien op de kerkhofwei,  mesthopen voor de huizen die 's zomers muggen-en vliegenzwermen aantrokken. Eén vierde van de werkende bevolking was in dienst van het hertogelijk hof . En rond die bijenkorf  van zestien adellijke families, een zwerm van geleerden, schrijvers en kunstenaars.   

Hoe verging het moeder en zoon in deze kafkaïaanse biotoop? Johanna legde Arthur strenge regels op voor zijn verblijf in Weimar. Hij mocht haar maar op vaste tijdstippen bezoeken en moest buitenshuis logeren. Zij kon zijn onhebbelijk karakter, zijn luid gepraat, zijn hypochondrisch geklaag over onvermijdelijke zaken en zijn eeuwig gediscussieer niet harden. De kloof tussen de denkwerelden die moeder en zoon scheiden, overstijgt de dimensies van hun privaat gekibbel. Hier staan twee geesten tegenover mekaar die elk tot een àndere tijdsdimensie behoren: de tijdsgebondenheid van Johanna en de tijdloosheid van Arthur. De mondaine Johanna trachtte overspannen hààr achttiende eeuw te rekken, terwijl het broekje Arthur zowel eeuwen te laat kwam, als ruim een eeuw te vroeg op aarde verscheen. In elk geval paste de filosoof  niet in het idyllische salonleven dat de romançière in het aristocratische Weimar wist hoog te houden. Op haar beroemde theekransjes van donderdag en zondag verzamelde ze de intellectuele elite van Weimar. Johanna nam plaats achter het theestel en volgde met haar ernstige, warme ogen aandachtig de lippen van de sprekers. Ze hield het gesprek voortdurend gaande. Naast de vaste waarde Johann Wolfgang Goethe, kwamen vele anderen geregeld over de vloer: de literator Christoph Martin Wieland, de auteur en weldoener Johann Daniel Falk, de archeoloog Carl Ludwig Fernow, de archivaris Georg Müller von Gerstenbergk, de Brentano's, de filoloog Passow, Achim von Arnim, de toneelauteur Zacharias Werner, de filoloog Stephane Schütze. Johanna wist haar gasten met veel humor te onderhouden en slaagde erin een bijzondere belangstelling aan de dag leggen voor ieder apart. Uit getuigenissen valt af te leiden hoe men deze informele gespreksronden apprecieerde als een forum van diepe gedachtewisseling over allerhande filosofische en literaire onderwerpen. Zo las Goethe eens Schotse balladen voor 'zo dat de vrouwen de terugkerende zin uit elk vers steeds in koor moesten herhalen'. Het komische van de situatie ontging de pathetische figuur totaal. Hij kon evengoed vol ernst een uur over een ganzeleverpastei doorbomen. Johanna's salon was een burgerlijk pendant voor de leesavonden, diners en concerten aan het hof, gewaagd aan het ondoordringbare 'Slot' uit de gelijknamige roman van Kafka. Slechts de onsterfelijke Goethe was het gegund af en toe aan te schuiven tussen de adellieden. Maar zelfs voor hem bedachten ze daarvoor een geënsceneerde smoes. Als genodigde van de Hertog kon Goethe maar dan aan de speeltafel aanzitten, wanneer men een adellijke speler - op afspraak natuurlijk - afwezig meldde, zodat de dichter kon inspringen. Goethe heeft altijd graag het spelletje meegespeeld.

Hoewel Arthur vaak aanwezig was op de theesoirées van mama, verwaardigde Goethe zich  niet ook maar één woord tot het snotjong te richten. Vergeten we niet dat Arthur gedurende zijn tweejarig verblijf in Weimar als pedante adolescent keihard blokte op zijn klassieke talen en maar niet begreep hoe zijn frivole moeder zo in de smaak kon vallen bij de grote Goethe. Johanna had bij aankomst in Weimar de dichter meteen voor zich gewonnen door een slimme entrée te maken: zij nodigde Goethes minnares, door heel Weimar verstoten omdat hij haar overhaast huwde tijdens Napoleons kanonnengeweld, gewoon uit op de thee. 'Als Goethe haar zijn naam leent, waarom zou ik haar dan geen thee mogen aanbieden?'  Pas veel later zou Arthur zich onder Goethes aandacht wringen met zijn filosofisch opus. Daarenboven zijn er zeventien brieven bekend waarin Schopenhauer debateert over Goethes 'Kleurenleer', een werkstuk waarop de dichter apetrots was. Hij beschouwde dit gewoon als zijn absoluut meesterwerk en duldde geen tegenspraak. Wanneer de nieuwlichter dan ook nog het lef had met een verbeterde versie van Goethes kleurentheorie te komen aandraven, hield de dichter het voor bekeken. In deel twee van zijn Faust voert Goethe een halfbakken 'Baccalaureus' ten tonele waarmee hij zinnespeelt op exemplaren à la Schopenhauer.
Baccalaureus:
'Als ik't niet wil, bestaat de duivel niet.'
Mephistopheles:
'De duivel licht je een beentje voor je 't ziet.'
Baccaleureus:
'Dit is de hoogste roeping van de jeugd:
Ik schiep de wereld krachtens eigen deugd.'
In zijn beroemde gesprekken met Johann Peter Eckermann, die probeerde Goethes analyse van de blauwe schaduw te corrigeren, kon Goethe het niet laten een sneer te geven: 'U bent net zo'n ketter als alle anderen, want u bent niet de eerste die van mij is afgeweken. Met de meeste voortreffelijke mensen heb ik wegens omstreden punten in de kleurenleer confrontaties gehad. Met professor Seebeck wegens (...) en met Arthur Schopenhauer wegens (...).' In zijn kleurenleer voelde Goethe zich de Napoleon in het rijk van de geest. En de grote filosoof Hegel zou hem daarin bevestigen. De metaforen die Goethe voor kleuren bedacht, bevestigden de gees-tesmetafysica van Hegel. Toen Hegel zich in 1817 In zijn 'Encyclopedie van de filosofische wetenschappen' tegen Newtons spectraaltheorie verzette, stuurde Goethe hem prompt een exemplaar van zijn Kleurenleer. Er ontstond een vriendelijke briefwisseling tussen beiden. Exit Schopenhauer.

Het metafysisch pessimisme van Schopenhauer ging niettemin vooraf aan een nieuwe tijd: het bohémien-kunstenaarschap van de decadenten, de symbolisten, de fin-de-siècle estheten, de psychoanalytische 'Principereiters', de crisisbewuste heideggertjes uit onze dagen en vergeten we vooral niet het type overjaarse misdienaars onder ons die van boeddha een messias maken. De gemiste ontmoeting tussen de filosoof en het Weimar van zijn moeder, spiegelt niet alleen de metafysische breuk tussen subject en wereld, maar tekent tevens het modernistische psychodrama dat immer knaagt in de harten van onze westerse intelligentsia. De spanning namelijk tussen homo metafysicus en homo ludens werd door Kundera meesterlijk geformuleerd in wat de lijfspreuk van het postmodernisme kan worden genoemd: 'de ondraaglijke lichtheid van het bestaan'. Vandaag nog legt elke faustiaanse neuroticus zijn gratuit plezier en zijn verlangen naar oneindigheid op de weegschaal. Waarom willen we altijd zo diep zijn? 'We kunnen nog niet eens oppervlakkig zijn,' repliceerde Nietzsche.  

BUCHENWALD, CULTURELE HOOFDSTAD

Het Weimar dat zich dit jaar opmaakt voor de titel van culturele hoofdstad en zich de culturele allures van Stockholm of Kopenhagen aanmeet, kan in de actuele context niet bogen op enige culturele uitstraling van betekenis, maar verwierf  in de geschiedenis van Duitsland een meer dan symbolische erefunctie. Dit vergiftigd geschenk van 'culturele hoofdstad' kan historisch bezwaarlijk anders dan als een poging tot uitgesteld eerherstel worden begrepen. Deze stad is nu eenmaal tegelijkertijd Goethe én Buchenwald, humanisme en barbarij, cultureel hoogtepunt én absoluut verval. Kortom, een oord waarin het cynisme de boog van eeuwen overspant. De boom waaronder Goethe - volgens een nazilegende- tijdens zijn wandelingen in het woud graag uitrustte, hadden de nazi's pervers genoeg laten staan temidden het Buchenwaldterrein dat op de Ettersberg, op een boogscheut van Weimar, werd gerooid... om op geregelde tijdstippen een anti-Duitse geest aan op te hangen. Ik denk daarbij aan de bomen waarover Johanna Schopenhauer spreekt in haar reisverhaal over het Frankrijk van 1804. In Zuid-Frankrijk noemt men de amandelboom "l'arbre de la folie" en de Johannesbroodboom "l'arbre de la sagesse". De amandelboom komt namelijk al tot bloei bij de eerste zonnestralen, maar moet er bij vriesweer vaak voor boeten. Waanzin dus. De Johannesbroodboom daarentegen wacht zijn tijd af en laat zijn knoppen maar openbreken als de kans op vorst voorbij is. Niets dan wijsheid. Johanna laat echter in het ongewisse of de ene boom nu wel symbool staat voor Frankrijk of Duitsland. Is Napoleon niet ook een voorbeeld gebleken voor zowel Hitler als Stalin?
 
In elk geval, om Weimar 'jodenrein' te houden, daarvoor had Luther in 1543 als eerste de nodige stappen gezet onder Keurvorst Johann Friedrich. Weimar is als historisch begrip met het Duits protestantisme verbonden. In 1941 zal men Luthers woorden nog in herinnering brengen om de jodenster in Sachsen in te voeren. Het bewind van Hertogin Anna Amalia tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw, de prachtig bewaarde rococobibliotheek in Weimar - waarvan Goethe later bibliothecaris wordt - is nog naar haar genoemd, effent het pad voor wat men het 'klassieke Weimar' is gaan noemen. Wieland verzamelt Schiller, Jacobi, Herder en Goethe rond het prestigieuze tijdschrift Merkur. Goethe ontpopt zich tot hofpoëet en schrijft vaak op bestelling. De leden van het hof treden soms zélf op in een theaterstukken, bijvoorbeeld in een parodie van de hand van Voltaire, voor de gelegenheid door Goethe geregisseerd. Goethe bereikt in Weimar de status van directeur van het hoftheater, diplomaat, minister, persoonlijke raadgever en vriend van Hertog Carl August. Vergeleken met de gecastreerde positie van de intellectueel in onze dagen lijkt dit misleidend benijdenswaardig. Goethes conservatisme is ons echter minder bekend. Het symbool van Duitse weldenkendheid was bijvoorbeeld een voorstander van vergaande staatscontrole over de pers en was ervan overtuigd dat vorsten die hun vormelijkheden verwaarlozen, hun ondergang voorbereiden. Voor alles moest de orde en de rust worden gewaarborgd. De terreur die in Frankrijk volgde op het gejubel om vrijheid en gelijkheid, had zijn gevoel voor avontuur getemperd. Of het zou ook anders kunnen klinken: elke deelname aan de macht stelt nu eenmaal de onafhankelijkheid van het denken fataal op de proef.  De vrijheid van denken beperkte zich voor mensen als Goethe tot wetenschappelijke kwesties en literaire ontboezemingen. Voor een politieke filosofie was de tijd nog niet rijp. In dit klassieke gemoed overheerste afschuw voor elke maatschappelijke verandering en vrees voor massaverschijnselen. Dit gevoel overleeft nog steeds in de hoofden van hedendaagse intellectuelen die de massacultuur en de beeldcultuur als een vorm van cultureel verval begrijpen. Wellicht ligt eenzelfde esthetisch ideaal aan de basis van deze denkreflex, als toen Schiller afkondigde: '... want het is de schoonheid waardoor men tot vrijheid komt.' Om een politiek probleem op te lossen, zou men eerst de esthetische weg moeten bewandelen. Maar hebben niet precies goedgeformuleerde esthetica's van het staatslichaam tot de totalitaire systemen van de twintigste eeuw geleid? Met enige jaren verschil, pronkten zowel Hitler als Stalin met Goethe op de Ettersberg. Met Schopenhauer wisten ze duidelijk geen raad.  

GEEST VAN DE MACHT VAN DE GEEST

Kort na de val van de muur spoelde ik in een bui van culturitis met mijn dieselend tankvoertuig van sovjetmakelij aan in een buitenwijk van Weimar. Ik zocht vertwijfeld naar het adres van mijn gereserveerde 'Zimmer Frei'. Urenlang rijden door winters stormweer had mijn humeur danig op de proef gesteld. Mijn beminde was al onderweg aan haar winterslaap begonnen en gaf snurkend te kennen alleen nog maar terug naar huis en hond te willen. Ik werd misselijk van zelfmedelijden. Ik hield halt in een desolate slop waar zelfs een lustmoordenaar schrik zou krijgen. Moerassige kou overviel mij toen de autodeur achter mij in het slot plofte. Onder het schaarse licht van een straatlantaarn die nog niet was gesneuveld, ontcijferde ik met moeite de woorden: 'Schopenhauerstrasse'. Op dat moment begreep ik waarlijk wat het surrealisme altijd al bedoelde.

En anno1999 heeft Schopenhauer uiteindelijk zijn standbeeld toch gekregen in Weimar. Voor het pas geopende 'Neues Museum Weimar' staat namelijk een sculptuur in gepolitoerd brons van Thomas Schütte, genaamd: 'Grosser Geist'. Een blinkend michelinmannetje duwt het verleden levensmoe van zich weg. Zo van: 'Laat maar zijn'. Toepasselijker voor Schopenhauers denken kan niet. Het kersverse museum daartegenover herbergt de Keulense verzameling Paul Maenz, maar is in deze Weimarstory minder van belang. De collectie serveert niettegenstaande een fraai staal uit de minimal art, arte povera en neue wilden. Alleen het uitgestalde oeuvre van Kiefer levert op deze plek uiteraard een treffende metafoor voor de pathologie van het naoorlogse Duitsland. Deze inhaalbeweging mag er wel wezen, maar het is niet meer dan een esthetische facelift die geen politieke praktijk van verandering zal voorafgaan, waarvan Schiller zo droomde. De macht van de geest zal andermaal niet triomferen over de geest van de macht.
 
Want uitgerekend een plek als Weimar uitroepen tot culturele hoofdstad roept vragen op over de maatschappelijke rol van intellectuelen. De hof -en staatsambtenaren à la Goethe en Hegel, aristocratische schrijvers zoals Schiller of Johanna Schopenhauer, zij voelden zich aangetrokken tot de macht, genoten ervan en leenden hun denken en pen aan het hof, de staat of de kerkelijke instituties. In het type van Arthur Schopenhauer emancipeert zich echter een type intellectueel die het machtsdenken in zichzelf wel herkent, maar begrijpt dat zijn vrijheid van denken maar kan gevrijwaard worden door bewust vanuit de rand commentaar te leveren. Schopenhauer was ervan overtuigd dat hij moest zeggen wat hij zei. Daarom wilde hij zich niet laten inlijven bij de beroepsfilosofen (hoewel zijn statuut als rentenier hem dit ook toeliet). Slechts zo zou de macht van de geest kunnen zegevieren op de geest van de macht. De heisa rond het 'Goethe-Schiller-Denkmal' dat in 1857 te Weimar werd opgericht toont goed aan welke omwenteling bedoeld is. Aanvankelijk kreeg beeldhouwer Christian Daniel Rauch de opdracht een ontwerp te maken voor het dubbelmonument ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Goethes geboorte. Rauch beeldt beiden af zoals Plato en Aristoteles staan afgebeeld op Raffaëls 'School van Athene': Goethe als Plato met de Timaeus onder de arm, Schiller als Aristoteles met de Ethiek. De natuurdenker en de ethicus zijn verenigd onder Hegels motto: 'Das Wahre sei das Ganze'. Maar omdat de stad Weimar niet over de nodige financies bleek te beschikken om het project te financieren, werd de uitvoering uitgesteld. Ludwig I van Beieren kwam echter op de proppen met de centen, op voorwaarde dat Goethe en Schiller in 'teutonische klederdracht' zouden worden uitgebeeld. En omdat Rauch voet bij stuk hield, werd de opdracht uitgevoerd door zijn leerling Ernst Rietschel. Het resultaat kan men vandaag op het theaterplein in Weimar nog steeds bekijken: in plaats van een filosofisch debat over ideaal en werkelijkheid, krijgen we een gemoedelijk onderonsje waarin een vaderlijke Goethe zijn geestelijke zoon een schouderklopje geeft voor zijn blik 'ins blauen hinein'. Het lijkt wel het uur van de prijsuitreiking.  Goethe en Schiller zijn gekleed in een outfit van de voorbije eeuwwisseling: broeken, kousen, schoenen, rokkostuum, wapperende mantel. Een huiselijk operettesfeertje veegt het filosofische ideaal van vrijheid op aarde onder het tapijt van een achttiende eeuwse saloncultuur. Goethe en Schiller worden gerecupereerd door de reactionaire fictie van een goeie ouwe tijd onder de kerktoren.  Het was tevens de tijd toen groothertog Carl Alexander in Weimar een hofacademie oprichtte en een schilderkolonie stichtte . Wat later bekend werd als de 'Weimarer Malerschule' specialiseerde zich in brave landschapsschilderkunst. Er had wel degelijk een fel debat gewoed over de ideeën van de Franse Revolutie tussen de twee dichters. Maar door het denken onder te dompelen in de gemoedelijkheid van het biedermeiertijdperk, toont de wereldse macht haar ware gelaat: daar waar kunst, filosofie en wetenschap iets van de waarheid wil laten zien, manipuleert de macht deze creatieve prestaties om het volk te sussen. In de negentiende eeuw staat echter een generatie denkers op - van Schopenhauer, over Marx, Nietzsche, Freud tot in de Frankfurter Schule - die, zoals Derrida het formuleert, een 'woestijnachtig messianisme' belijden. Het zijn precies dergelijke figuren die het vrije denken niet hebben laten weerklinken tegen de muren van het literair salon of tegen de flanken van de Alpen, maar in het Nietzscheaanse gebrul waarvoor zijn zus de vensters moest sluiten. Nietzsche opsluiten in zijn archief te Weimar om hem in te lijven bij de klassieken, was een vergelijkbare daad van verbiedermeiering.     
 
In 1942 pakten de nazi's het standbeeld van Goethe en Schiller in door er een bunker rond te bouwen en er voor de gezelligheid een koekenbakkenhuisje met zadeldak omheen te metselen. Het moest beschermd worden voor mogelijke bombardementen, maar de theatergangers mochten er tegelijkertijd niet door afgeschrikt worden. Christo had het niet beter kunnen bedenken. Het symbool van de leugen moest beschermd worden tegen de vernietiging door inkapseling. In 1945 zijn het de soldaten van het Rode Leger die de avantgardistische installatie weer ontmantelen. Omdat de geschiedenis op die manier telkens iets aannemelijks maakt, lijkt het ook inderdaad alsof het niet anders had gekund. De breuk van Schopenhauer met zijn moeder en zijn vlucht uit Weimar,  is zijn vlucht uit Egypte. Hij ruilde de plakkerige nestwarmte in voor het beloofde land van intellectuele distantie.

----------------
Peter Merseburger, 'Mythos Weimar. Zwischen Geist und Macht.', Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart, 1998.

Marc Carnier & Anke Gillier, 'Een vrouw op reis. België anno 1828 volgens Johanna Schopenhauer.', Davidsfonds/Leuven, 1998.

Johanna Schopenhauer, 'Promenaden unter südlicher Sonne. Die Reise durch Frankreich 1804.', herausgegeben von Gabriele Habinger, Frauenfahrten, Promedia, 1993.

Johanna Schopenhauer, 'Der Schnee.', herausgegeben von Karl Konrad Polheim und Hans Rothe, Lange Müller, Deutsche Bibliothek des Ostens, 1996.

Beat Wyss, 'Trauer der Vollendung. Zur Geburt der Kulturkritik.', DuMont, Köln, 1997

Rüdiger Safranski, 'Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie.'(Vertaalgroep Bergyk), Baarn, Tirion, 1987.