Logo Joannes Késenne

madpxl

De raaf en de vos

Wanneer Broodthaers in Brugge verbleef, zat hij bij valavond graag op de bank in de schaduw van het standbeeld van Guido Gezelle. Niet alleen omdat hij naar verluidt een grote bewonde-ring koesterde voor de gekruide taal van Gezelle, maar om van hieruit naar het geluid van de stad te kunnen luisteren. De kunstenaar was ervan overtuigd - er leeft een dichteres in deze stad die het daar grondig mee oneens zou zijn - dat tussen de gebouwen van deze stad een efemere toon zweeft die in geen enkele andere stad aanwezig is. Een ijle klank, alsof de dingen eeuwig veraf blijven en in nevelen verdrinken. De man dacht dat het iets met het water te maken had. Hij maakte zich sterk Brugge er te kunnen uitpikken wanneer men haar stilte op band zou opnemen. Nauwelijks op enkele meters van deze zitbank - misschien kan het stadsbestuur er een museaal touw rondspannen - opent vandaag in het Groeningemuseum een over-zichtstentoonstelling van zijn werk. Vreemd genoeg is dit de eerste tentoonstelling van deze belangwekkende figuur in Belgisch museaal verband sinds het overlijden van de man in 1976. Eert België haar zonen dan niet? Uitgerekend dit soort Belgische middelmatigheid was onder-werp van Broodthaers’ kunst. Maar zeg niet dat Brugge Broodthaers niet eert!.

HET BROODTHAERSKABINET

Het artistieke beheer van conservator Dirk de Vos stijgt in ieder geval uit boven die gedood-verfde middelmatigheid. Dankzij zijn aankoopbeleid bezit het Groeningemuseum - toch inter-nationaal vermaard als dé uitgelezen plek om van topwerken van Van Eyck, Van der Goes, Bouts, Memling, David en Bosch te komen genieten - tevens van Broodthaers sinds 1983 de volledige reeks boeken, een aantal prenten, manuscripten en tekeningen. Hoewel de stadsgidsen hun groepen meestal stiekem voorbij het Broodthaerskabinet sluizen, staan tegelijkertijd kenners van kunst uit de twintigste eeuw zich te vergapen aan zoveel eruditie. Ik heb nog meegemaakt dat aan de rand van een internationaal psychoanalytisch congres in de stadshallen, een paar honderd congresgangers lekkerbekkend kickten op deze Broodthaerscollectie. Ze hielden het niet voor mogelijk zo’n keure in het kleinsteedse Brugge aan te treffen.

Deze verzameling gedrukte edities belicht immers één van de meest centrale aspecten van Broodthaers oeuvre: het talige karakter van beelden. Op de vraag of Broodthaers geen vreemde eend in de bijt is na het museale gewicht van zoveel geschiedenis, antwoordt De Vos sluw: ‘De figuren die wij aankopen behoren allemaal al tot de geschiedenis. We kunnen er met een zekere historische distantie naar kijken.’ Zouden we niet eerder kunnen opperen dat Broodthaers precies via adoptie door het Groeningemuseum tot geschiedenis wordt? Het behoort tot de ironie van het lot dat een figuur als Broodthaers, wiens kunst tot inzet had om het kunstcircuit, de aankooppolitiek, het museum en de kunsttheorie kritisch te ondervragen, vandaag als museaal paradepaardje wordt binnengehaald. Maar conform de logica van een museumbeleid, is de conservator maar effe blij om via een thematentoonstelling te kunnen inzoemen op deze mooie staalkaart uit Broodthaers’ oeuvre.

Onder impuls van de tentoonstellingscommissaris Yves Gevaert, zal de verzameling gedrukte edities gepresenteerd worden in het gezelschap van vijf mini-musea samengesteld uit vaak nooit eerder getoond beeldend werk van Broodthaers. Het zijn een vijftal grote decors die voor de gelegenheid worden opgebouwd. Binnen elk decor wordt een collage van werken gerealiseerd. Naast de tweedimensionele presentatie worden er films en dia’s van Broodthaers geprojecteerd. Op die manier worden het filmbeeld ook een object. Het zijn museumtheaters binnen het museum. ‘Het zal de Groeningecollectie een ander gezicht geven’, vertelt de conservator. De Broodthaersspecialist Gevaert organiseerde in ‘75, een jaar voor de dood van de kunstenaar, de laatste Broodthaerstentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Buiten de aandacht die galerie Isy-Brachot aan de kunstenaar besteedde, is sindsdien in België rond hem merkwaardig genoeg nog nauwelijks iets gebeurd. Valt Broodthaers dan toch tussen de plooien van de geschiedenis? De Vos: ‘Broodthaers is kind van zijn tijd. Hij blijft schatplichtig aan het surrealisme, de pop-art en les nouvaux réalistes. Maar het merkwaardige aan Broodthaers is dat hij noch schrijver, noch plastisch kunstenaar is. Van oorsprong is hij dichter. Maar hij beschouwt het als zijn intellectuele opdracht om de kunst van zijn tijd te analyseren en daar plastisch werk mee te maken. Hij bedrijft àls kunstenaar een type sociologie van de kunst. Alle aspecten komen aan bod: de marktwaarde, de museumwereld, de vervalsingen, de verhouding galerie-kunstenaar, ...’ Maar had Duchamp dat al niet voor hem gedaan? ‘Het verschil is dat Broodthaers een dichter is gebleven. Ook in zijn plastisch oeuvre is hij schrijver. Wanneer hij eieren tentoonstelt, dan is dit een reeks fonemen. Hij brengt daar een talig ritme in.  Het is een schriftuur, vergelijkbaar met surrealistische poëzie.’ Niettegenstaande zal Broodthaers op een cruciaal moment in zijn leven overschakelen van dichtkunst naar beeldende kunst. Zijn werk ‘Pense-Bête’ symboliseert deze overgang. Het is een werk waarin zijn dichtbundels in plaaster worden verpakt zodat ze verder onleesbaar zijn. Na zijn dood kwam dit werk in een privé-verzameling terecht en werd nooit meer getoond. Vandaag in Brugge te zien. ‘De pose die Broodthaers bespeelt bij die ommekeer mag u niet ontgaan. Zijn begeleidende, ironiserend tekst doorprikt het “trop de sérieux” van de hele avant-garde. Die tekst klinkt - vrij vertaald - als volgt: “Ik wil ook wel eens geld verdienen met dergelijke accumulaties!”  En daarenboven is hem dat nog gelukt ook. Pas op het einde van zijn leven begint hij geld te verdienen aan zijn oeuvre. Maar zijn werk was profetisch: zijn ironie is uitgekomen. En alles heeft zich afgespeeld over een tijdspanne van amper tien jaar. Hij werkte met allerhande media: films, dia’s, fotoreeksen, installaties, accumulaties, schilderijen, ... Men zou kunnen zeggen dat heel zijn oeuvre één kunstwerk is geworden. Overigens heeft hij op het einde van zijn leven zelf installaties gemaakt met objecten uit verschillende periodes van zijn oeuvre. Hij noemde dat “decors”. Hij heeft de eenheid in zijn werk zelf bevestigd. Wat toevallig begonnen is als een soort dédain, is plots serieus geworden.’  Een ander opvallend aspect aan Broodthaers’ kunst zijn de talrijke verwijzingen naar Belgische iconografie. Incar¬neert Broodthaers zoiets als “Belgische kunst”: ‘Geschiedenisvervalsing’, meent de conservator: ‘na Broodthaers zijn er een aantal kunstenaars opgestaan die per sé Belgische kunst wilden maken en zich daarvoor op Broodthaers meenden te moeten beroepen. Broodthaers hield zich effectief bezig met de alledaagse aspecten van het toch bijzondere historische fenomeen België. Maar precies op dit vlak is Broodthaers een erfgenaam van Magritte. Hij had een grote bewon¬dering voor Magritte. Broodthaers’ kunst “citeert” Magritte. Het is vanuit ons Belgisch minderwaardigheidsgevoel dat we plots iets menen te hebben ontdekt dat typisch “Belgisch” zou zijn.’ En is Broodthaers dan niet onze conceptueel, onze Duchamp? ‘Broodthaers is een conceptueel, maar is tevens veel meer dan een conceptueel. Ik aarzel het woord op Broodthaers toe te passen. Kijk, we kennen de discussie: elke kunst is conceptueel. Zelfs een stilleventje op doek is conceptueel.’ Niettemin prijkt op de cover van het dit jaar gepubliceerde boek “Conceptual Art” van Tony Godfrey in de prestigieuze reeks “Art & Ideas” van uitgeverij Phaidon, Boordthaers’ “Zelfportret in een pot” uit 1966. Wat is hier aan de hand? Het begrip conceptueel is zoiets als een elastiek.

Uit hoofde van de tijdsperiode (jaren zestig - begin jaren zeventig), de beeldende mogelijkheden van taal, de minder formeel-plastische dan wel intellec-tualistische dimensie van zijn kunst, het statement-karakter, de sociologische thematiek enzo-voort, zal de kunstgeschiedenis Broodthaers uiteraard moeiteloos  toevoegen aan het concep-tuele lijstje van John Baldessari, John Latham, Joseph Kosuth, Lawrence Weiner, Hanne Darboven, Daniël Buren enzovoort. En dit ongeacht het feit dat Broodthaers zich zélf liever in de reeks Baudelaire, Mallarmé, Poe en Magritte inschreef. We stoten hier met name op de autonome koers die de institutionele én theoretische context van kunst vaart. De museumcultuur, de kunstwetenschap, de kritiek, het galeriewezen, enzovoort ... maken onlosmakend deel uit van de receptie, de circulatie en interpretatie van kunst. Noch de kunstenaar zelf, noch de erven van de kunstenaar, noch één of andere verlichte bewaker van de oorspronkelijke intenties van de kunstenaar, kunnen voorkomen dat de receptie van een oeuvre een eigen geschiedenis gaat leiden. En dit is maar goed ook. De persoon van de kunstenaar is toch niet de exclusieve eigenaar van de interpretatie van zijn werk. Een kunstenaar kan mij als toeschouwer niet dwingen om over zijn werk te denken wat hij er oorspronkelijk mee bedoelde. Want precies de onbewuste, de onbedoelde, de impliciete, de rand- en meta-betekenissen van een werk zijn vaak veel ontwapenender dan het expliciete statement. Een werk zegt vaak meer in datgene wat het open laat, dan in wat het “voor eens en voor altijd nu eens in alle duidelijkheid zou willen zeggen”. Precies in deze leegte tussen het fysieke object en de subjectieve invullingen, bevindt zich het actieterrein van Broodthaers’ kunst. Of zoals Freddy Devree het ooit uitdrukte: ‘Marcel Broodthaers zocht naar een no man’s land tussen subjectief en objectief’.

LE CORBEAU ET LE RENARD

Dichter Broodthaers was gecharmeerd door de fabels van La Fontaine. Hij heeft o.a. gewerkt met het gedicht ‘Le corbeau et le renard’ op plastieke platen en in films. Museumconservator De Vos voert zijn collega, de raaf Broodthaers, voormalig “Directeur du Musée d’Art Moder¬ne, Département des Aigles”, ten tonele in het Groeningemuseum. In een interview met zichzelf laat Broodthaers de vos antwoorden: ‘Mijn beste raaf, weet dat elke flatteur leeft op de kap van hem die hem aanhoort!’ Vrij vertaald: ‘Mijn beste kunstenaar, weet dat elke museumdirecteur leeft op de kap van de toeschouwers die hem geloven.’  Met dergelijke gedichten serveerde Broodthaers immers niets minder dan rebussen, door eenieder vrij in te vullen. Hij noemde het “lectuuroefeningen”: de oefening om zowel het woordbeeld als de betekenis van het woord te kunnen vergeten àchter het object. Wellicht is het zinvoller om Broodthaers’ besognes met de hele sociologische context van kunst te begrijpen vanuit diens pijnlijke ervaring dat gedichten nu eenmaal geen groot publiek kunnen bereiken. Let wel, dit is geen verwijt van opportunisme. Broodthaers’ ironie met betrekking tot deze overschakeling naar de beeldende kunst spreekt immers letterlijk “boekdelen”. Conceptueel of niet: Brood¬thaers was in de eerste en laatste plaats dichter-kunstenaar (lijkt wel zoiets als “priester-arbei¬der”) van het discours. Hij heeft als geen ander begrepen hoe elk kunstwerk uiteindelijk een discursieve betekenis heeft. Het schrijvend subject is niet als dusdanig herkenbaar of vertegenwoordigd in zijn schiftuur. De cultuur recupereert de pennevruchten van dichters bijvoorbeeld in een volksnationalistisch betoog, totaal vervreemd van het subjectieve leed van de dichter. Zo kan tevens elk materieel, toevallig object - binnen een museale context - tot symbolisch object worden verheven. Het betreft hier echter geen tweede uitgave van een Duchamp. Want terwijl Duchamp zwijgt en Beuys alsmaar babbelt, worstelt Broodthaers met het authentisch statuut van het woord-object. Magritte is volgens Broodthaers niet radicaal genoeg “geen pijp” geweest. En Duchamp heeft zich commercieel verbrand. Het artistieke onderzoek van deze Belgische woordkunstenaar bestaat erin te peuzelen aan de objectale, de beeldende schriftuur van het woord. Of om het semiotisch uit te drukken: wat is het aandeel van de materiële betekenaar, wat het aandeel van het vluchtige betekende. Vandaar het feit dat Broodthaers zo gebiologeerd blijft door het visuele gedicht van Mallarmé: ‘Un coup de dés n’abolira jamais le hasard’.  Broodthaers wil niets minder dan op een infraniveau de leegtes, de stiltes die Mallarmé’s woorden visueel omkaderen, invullen. Alsof de visuele, beeldende schriftuur op een dieper, onzichtbaar niveau pas zijn waarheid zou prijsgeven. Het alfabet zou dan ergens op een tweede niveau een definitieve inscriptie achterlaten, als bij een “omgekeerd” palimpsest. Wie iets uitschrijft schrijft niet bovenop een oorspronkelijk geschrift en maakt het daardoor onlees¬baar, maar terwijl iemand aan’t schrijven is, vervolledigt hij een voorafbestaand geschrift. Daarom ook is Broodthaers’ kunst veel meer verschuldigd aan de kunstgeschiedenis dan men op het eerste gezicht zou durven denken. Broodthaers’ “Reizen op de Noordzee”,  te zien in de vaste collectie van het Groeningemuseum, hebben veel meer gemeen met Brugge dan de modale Bruggeling zou durven vermoeden.

Hoewel Broodthaers’ kritiek op zowel de museale wereld als de commerciële wereld (‘verach-telijke koopwaar’) legendarisch is, heeft hij de musea niet gemeden. Vanaf het moment dat hij zijn reeks “fictieve musea” begint te ontwerpen, vinden deze “decors” gewillig een plaats in kunsthallen en musea voor hedendaagse kunst. Op die manier leverden ze als kunstobjecten an sich, commentaar op de museale context. Hier opnieuw zien we hoe fictie en object in mekaar overlopen. Wat Broodhtaers laat zien is hoe de fictie van een museum tot museaal object wordt. Wat hij daarmee zegt is hoe fictief een museum eigenlijk wel is. Hij keert Magritte om zoals de binnenkant van een plastieke handschoen buitenkant kan worden: terwijl Magritte het mysterieuze van een banale situatie wil tonen, toont Broodthaers de banaliteit van elk mysterie.    
Broodthaers heeft als geen ander het meestervertoog van de kunstwereld in vraag gesteld. “Waarom bepaalt wie wat grote kunst is?” Deze vraag blijft meer dan ooit actueel in een wereld waarin de “verpretparking” van musea zich aankondigt. Hij werd geboren als dichter, vermolmde zich tot beeldend kunstenaar, werd directeur van een fictief museum en sloot ten slotte dit museum uit teleurstelling met de kunstwereld. Is dit niet het verhaal van elke kunst-minnaar? Iedereen komt de kunst binnen via een weg die haar uiteindelijk vreemd is: de waarheid, het genot, de schoonheid, de zonde, het engagement, het geld, de religie, de weten-schap of de poëzie. Geen enkel toegang is geëigend. Maar elke mogelijk.

-------------------
Tentoonstelling ‘Marcel Broodthaers’ Groeningemuseum Brugge van 17.10.98 tot 17.01.99

Begeleidende publicatie: ‘Marcel Broodthaers aan het woord’ (selectie geschriften en inter¬views, 36 zwartwitillustraties) uitgegeven door Ludion (144 pp., paperback)