Logo Joannes Késenne

madpxl

La solitude dans la jouissance

 

De eenzaamheid in het genot

Joannes Késenne

Kan dit wel: samen eenzaam zijn? Misschien is dit wel de enige manier waarop we eenzaam kunnen zijn. We zijn vertrouwd met de ervaring van verlatenheid te midden een grote mensenmassa, zoals tijdens een betoging, op een voetbalstadium, in een volle winkelstraat, … Sommigen onder ons slagen erin zich terug te trekken uit het sociale leven en de solitaire afzondering van een kluizenaarsbestaan op te zoeken … voor een tijdje. Dat kan ook met z’n tweetjes, in een solitude-à-deux. En er bestaat zoiets als de eenzaamheid van de reiziger: doelloos ronddolen over de aardkluit. Of het nachtelijk flaneren van Baudelaire in zijn Spleen de Paris. Maar ook de eenzaamheid van de lange afstandsloper !

Enfin, we kunnen ons tal van variaties op het thema verbeelden. De uitdaging van deze tentoonstelling echter is om te focussen op één welbepaald type van eenzaamheid dat paradoxaal genoeg opduikt in die zeldzame momenten van zich één te voelen, van lustvol opgaan in mekaar, van zich te verliezen in mekaar, van overschrijdend genot, van jouissance. Dit voelt aan alsof ons menselijk tekort voor even opgeheven is, maar vanaf het moment dat we dit menen te beleven, is het genot reeds voorbij. De overgang van opbouw van spanning die zich ontlaadt in het orgastische piekmoment, meandert daarna verder in een dromerig nagenieten. Maar Jenseits des Lustprinzips, zoals Freud het formuleerde, dus voorbij het genot, eist het lichaam, eisen onze driften steeds méér … naar datgene wat alleen maar verder naar de dood kan afglijden. Het zuchtige verlangen van ons, talige wezens, vindt maar bevrediging in een belofte aan eeuwige zaligheden. De vlucht in het erotisch genot is wellicht de beste manier om ons te beschermen tegen de jouissance, tegen de dodelijke overschrijding.  Dus het lustprincipe als een angst voor het eeuwige genot. Het is zoals een vrouw die, wanneer zij voelt hoe haar man van haar geniet, zich tegelijkertijd immens eenzaam kan voelen, zich verdeeld weet tussen het genot dat zij schenkt en haar uiteindelijke vraag naar liefde, de vraag om de enige ware te zijn. Het één-zijn wordt in het erotisch genot op die manier uitgesteld. Of nog anders gezegd: op eenwording rust een verbod. Het is dit uitstel van het verlangen, waarover de eenzaamheid in de jouissance handelt en waarover deze tentoonstelling gaat. Want ook kunst is voor alles: belofte. Het esthetisch genot wijst met de vinger naar een oneindige oceaan die zich uitstrekt voorbij die zee die we in het kunstwerk te zien krijgen. Maar we kunnen en mogen die uitnodigende oceaan niet bevaren, tenzij wie in een roeibootje doodalleen zijn zelfgekozen einde tegemoet vaart. De jouissance is getekend door een zelfbestraffend masochisme.

Ook in het kunstwerk kunnen we ons verliezen, kunnen we verdwijnen in een voorbijgaand moment van esthetisch genot. Het meest extreem kennen we dit in het zogenaamde Stendhal-syndroom: de aandoening waarbij mensen een extreem psychische emotie ervaren, flauwvallen of een psychotische opstoot krijgen oog in oog met grote kunstwerken.    

Welke kunstenaars op deze tentoonstelling kunnen de toeschouwer een Stendhal-syndroom bezorgen? Drie schilders en één fotokunstenaar hebben we bij deze gelegenheid uitgenodigd.

Christina Mignolets portretkunst is eerder een type beeldhouwkunst op doek. Het zijn stuk voor stuk karakterkoppen: doordringende blikken, met enige argwaan soms, in zichzelf verzonken personages, die hun wetende onwetendheid niet wegsteken, ook hun angst achter een laagje zelfverzekerdheid trachten te verbergen. Het is met name deze dubbelzinnigheid die spreekt uit elke compositie van Mignolets palet. Ze geeft de fragiele transparantie van huid weer, die slechts in diepe intimiteit wordt waargenomen. Ze betracht een diepgang van intimiteit, waardoor ook een andere kant van mensen zichtbaar wordt.

Bij Hervé Martijn staat de eenzaamheid in het lijden centraal. De verstilde figuren dragen de psychische littekens van een gekwetst innerlijk. Er waart een even koppig als consequent motief doorheen dit picturale oeuvre: de schilder en zijn model. Maar het model valt hier niet noodzakelijk te verstaan als een levend personage van vlees en bloed dat voor hem in het atelier poseert. Hoewel hij vaak vertrekt van zelfgenomen foto’s, vertaalt hij dit beeldmateriaal plastisch naar een poëtische verstilling toe. Zijn penseel zoekt naar een representatie van de intimiteit die schuilgaat achter (voornamelijk) vrouwelijke sensualiteit. Dit levert een bijzonder vocabularium van diepe emoties op: kwetsbaarheid, tristesse, weemoed, beklemming, onrust, passie. Het is een verkenning van de feminiene binnenwereld.

In bepaalde werken verbeeldt Robbert Van Wynendaele de intensiteit van het erotisch genot . We zien een vrijend koppel: een kreet van puur genot, de hunkering naar meer, de spanning van hun lijven, haar lichaam trilt onder de wellustige handgreep. Hierin komt de gaping tussen genot en jouissance scherp tot uiting. In een ander werk kruipt een halfnaakte vrouw doorheen een zompige poel uit het donkere kreupelhout. De overbeliching van haar lichaam maakt haar akelig anoniem. Een fragment uit een crime scene?

Robert Piccart schildert met fototechnische middelen. Kunsthistoricus Stefan Beyst beschrijft de esthetica in één van zijn werken treffend als volgt: “Alleen al de structuur van de sluier van tranen die over het beeld is gelegd is een weldaad voor het oog. Maar de formele rijkdom van de sluier is slechts één trap op een scala met drie treden. Druppels zijn immers driedimensionaal en op het vlak alzijdig begrensd door een duidelijk afgetekende omtrek. Als zodanig vormen ze in al hun glanzende scherpte de hoogst denkbare tegenstelling tot de eerder wazige wereld achter deze sluier waarop alleen geleidelijke overgangen te zien zijn tussen lichte en donkere partijen van een tweedimensionale huid die over gebeente en ingewanden is gespannen. En tussen deze beide uitersten is, nauwelijks merkbaar, een bemiddelende tussentrap als kruis over het beeld getrokken: de langwerpige stroken van de horizontale lichtende weerschijn en de verticale bundel zwart licht. Die houden naar schaal het midden tussen de minieme druppels en het overdimensionale gelaat, terwijl ze naar vorm de overgang zijn tussen de begrensde geronde druppels en de verglijdende schaduwen over de huid: tweezijdig begrensde egale vlakken.”