Logo Joannes Késenne

madpxl

De eeuw van Picasso

Als het kubisme het archetype is van de artistieke creativiteit in de twintigste eeuw, is Picasso (1881 - 1973) de modernistische verpersoonlijking van het artistiek genie. Vlak voor de eindstreep van deze eeuw zoeken twee tentoonstellingen aansluiting bij de vraag 'hoe het allemaal begon'. Ze spannen de boog over honderd jaar eenzaamheid. Het Museum voor Moderne Kunst van Lille Metropole te Villeneuve d'Ascq en de Kunsthal te Rotterdam brengen respectievelijk 'de jaren van het kubisme' en 'de carrière van Picasso' in beeld. Rubens had eeuwenlang het wereldrecord aan productie op zijn naam staan met een slordige 1500 schilderijen. Maar Picasso bijt toch de spits af met naar schatting 200.000 creaties: 12.000 schilderijen, 6.000 ruimtelijk werken, een onoverzichtelijk aantal tekeningen, collages, assemblages, keramische objecten, grafisch werken ...  Christian Zervos, Picasso's archivarus, schreef: 'Schilderen is voor Picasso hetzelfde als Yoricks schedel voor Hamlet: hij draait hem om en om in zijn handen, vol ongeruste nieuwsgierigheid.'   Maar wiens schedel hield Picasso dan wel in zijn handen?

OP DE DREMPEL VAN DE DOOD

'Als ik sterf,' had Picasso voorspeld, 'wordt dat een schipbreuk, en net zoals wanneer er een groot schip zinkt, zullen veel mensen er omheen mee naar beneden worden gezogen.'  Toen hij in de ochtend van 10 april 1973 terug aan moeder aarde werd toevertrouwd, sneeuwde het in Zuid-Frankrijk. Een zeldzaam gebeuren voor die tijd van het jaar. Het was de wens van weduwe Jacqueline dat Pablo in stilte zou worden begraven op Vauvenargues, een kasteeldomein op de Mont Sainte-Victoire. Deze heilige berg had Cézanne, zijn grote voorbeeld, oeverloos proberen schilderen. Picasso had op die manier financieel bezit wil nemen van het motief van Cézannes penseel. De grote kubist werd er tenslotte ten grave gedragen in een kleine besloten kring. Oude geliefden en goede vrienden bonkten tevergeefs tegen de zware poort. Toen de rotsbodem te hard bleek voor houwelen en scheppen, werd het schreeuwerige gedreun van pneumatische boren zijn requiem. Zo nam zijn geest onder luid protest wraak op de kleffe intimiteit rond zijn kuil. Precies ook dit dwingend, kloppend ritme van de boormachine, deze "beat" is zo exemplarisch voor zijn compositorisch idioom. In het kubisme van Picasso of Bracque, evengoed als in de geometrische abstractie van een Mondriaan, de rotoreliëfs van Duchamp, de machinemetaforen van het futurisme, kortom in de kunst van de godfathers van het modernisme, verschijnt het kloppend hart, de tijdelijkheid van het menselijk lichaam, als motief. Deze pulsie, deze blinde herhalingsdwang eigen aan de seksuele drift, dit verlangen naar begin noch einde, deze "eeuwige terugkeer van hetzelfde", is precies ook het leidmotief in de massacultuur: de jazz, de beatmuziek en de pop, de dominantie van de bas, de flitsende televisiebeelden, het succes van het bewegende beeld in de videokunst, de s(m)urfmanie op internet, maar ultiem en heet van de naald, het vloeiende ritme van penetratie en terugtrekking in beelden van virtuele realiteit, waarin de blik imaginair binnendringt in het beeld. De geketende slaven in de grot van Plato volharden blijkbaar in hun schaduwbeelden.
 
Picasso's morbide banvloek kwam uit. Op dezelfde ochtend dronk kleinzoon en naamgenoot Pablito Picasso een fles kaliumchloride bleekmiddel leeg, omdat hij niet naar de begrafenis mocht. Hij overleed, na tevergeefse operaties en transplanties, enkele maanden later. Twee jaar later overlijdt zijn zoon en chauffeur Paulo aan levercirrose. Nog twee jaar later hangt Marie-Thérèse, zijn geprivilegieerde minnares voor het leven, zich op in haar garage. In 1986 schiet weduwe Jacqueline zich een kogel door het hoofd. Zij kon Pablo niet alleen laten in zijn kuil. Aan André Malraux had Picasso ooit toevertrouwd dat 'hij geen stijl nodig had omdat zijn woede een primaire factor zou worden in de stijl van onze tijd'.  Picasso liet inderdaad een oeuvre na waarin de agressiviteit van zijn seksuele drift de nieuwe tijd weerspiegelt. Inderdaad de oorlog bleef een geliefkoosd thema in zijn oeuvre. Zo is het schilderij "Guernica" meer dan alleen een aanklacht tegen het fascisme, meer dan een monument van de vernietiging. Het verraadt tegelijkertijd Picasso's aantrekkingskracht voor het geweld. Het kubisme kan kunsthistorisch gerust beschouwd worden als een bijzonder type expressionisme. Maar het was niet zijn eigen schedel die van tussen zijn vingers glipte.

"L'AFFAIRE PICASSO"

Een galblaas en prostaatoperatie had  in '65, op hoge leeftijd, de strijdlust van de krijgsman begraven. De bejaarde meester zou zich verder verkneukelen in het schilderen en etsen van oversekste scènes, teruggetrokken in zijn vesting Notre-Dame-de-Vie onder de toewijding van de éénenvijftig  jaar jongere Jacqueline. Hij had reden om zich af te zonderen. In 1964 had Françoise Gilot, één van zijn vrouwen en moeder van twee van zijn kinderen, het onthullende boek 'Leven met Picasso' gepubliceerd. In wat inmiddels "l'affaire Picasso" was gaan heten, een juridische veldslag tussen de meester en zijn muze over de publicatie van het boek, had Picasso zwaar gezichtsverlies geleden. In een telefoontje de dag na zijn nederlaag, verbrak hij   tien jaar stilzwijgen met de woorden: 'Je wint opnieuw. Ik feliciteer je, want zoals je weet houd ik alleen van de winnaars in het leven. Ik kan verliezers niet uitstaan.' Françoise was de eerste en enige vrouw die hem had durven verlaten. Een man als Picasso verlaat niemand, vond hij van zichzelf.  De breuk met Françoise viel de matador zwaar. In de uren dat hij te wrokkig was om zijn jaloezie onder ogen te zien, schreef hij gedichten in het Spaans vol geweld en pijn: 'De zware muilezeltjes van de begrafenis gingen de klokken luiden en koelte maken in het vuur ... in een hoek naakt terneer zitten of beter, terneer liggen met losse einden omhoog, aan flarden gesneden door de kleuren van de regenboog ... een jongen van karton kotst zijn stierenvechtserpak onder en draait de lampen van de oliestructuur op de weg aan ... het wiel zet zijn tanden in de wond en laat zijn blik om de put van het oog zinken ... terwijl de vingernagels het dak met zon slaan.' In een dergelijk wollig taalgebruik zou zelfs een puber van vandaag zich nauwelijks durven uiten. Het was dezelfde Françoise die hij later tot een scheiding met haar man had gedwongen om alsnog met hem te kunnen trouwen. De dag dat de echtscheiding werd ingezet, huwde hij Jacqueline in't geheim. Het was toen 2 maart 1961. Een staaltje van sadistische machtswellust ten voeten uit vanwege de grote Pablo Picasso.

Even harstochtelijk als Picasso van stierengevechten hield en verslaafd was aan boksmatchen op televisie, ging hij ook een gevecht aan met de kunstgeschiedenis. Zevenentwintig schilderijen en honderdachtendertig tekeningen kostte het hem om Manets "Le déjeuner sur l'herbe" de baas te kunnen tussen 1959 en 1961. De schilderkunst was zijn vechtsport. Hij was in 1957 "Las Meninas" van Velàzquez al te lijf gegaan. 'Je denkt altijd dat een schilderij maken alleen maar schilderen is ... En toch is het erger dan de dood in de ring; het is de dood in de ring', kloeg hij. In 1954 had hij zich, vlak na het bericht van de dood van zijn vriend en rivaal Matisse, gestort op "De vrouwen van Algiers" van Delacroix in vijftien doeken en twee litho's. Als hij enigszins kon, meed hij begrafenissen als de pest. Het gelaat van de dood wilde hij niet in de ogen kijken. Zijn passionele werkdrift bezorgde hem het gepaste alibi.

Even vernietigend als hij voor zijn vrouwen kon zijn, was hij voor zijn intieme vrienden. Hij nodigde kameraad Paul Eluard uit op zijn domein, maar liet de dichter en zijn ziekelijke bruid op vernederende wijze logeren in een donker vertrek in zijn kelder. Enig sadistisch genot liet hij zich graag welgevallen. Toen hij dit in '51 ook met zijn dichte kunstbroeder van weleer, Alberto Giacometti, wilde uitproberen, maar op een besliste weigering stootte bij de trotse pessimist, schreeuwde hij het uit: 'Ik kan mensen die nee tegen mij zeggen niet uitstaan!' Het was meteen het einde van een lange vriendschap. De vrienden die hem verlieten, hij had ze wel de schedel kunnen inslaan.

EEN ASPIRIENTJE VOOR MIJ, Dr. LACAN

In 1949 publiceerde de prestigieuze uitgeverij Gallimard zijn tweede toneelstuk "De vier kleine meisjes". Picasso roept hier een hele wereld van perverse spelletjes en pijn op. Eén zin: 'Wat mij betreft, ik wikkel het krijt van mijn verlangens in een mantel, gescheurd en vol met zwarte inktvlekken die luidkeels uit de blinde handen druppelen, die zoeken naar de opening van de wond.' Ook de pogingen van Pablo om Françoise op te zetten tegen zijn geliefde van weleer, Marie-Thérèse, mislukten. Ze zouden vriendinnen worden.  
 
Tegen de vierentwintigjarige filosoof en Heideggervertaler Kostas Axelos pochte de toen zevenenzestigjarige Picasso in de zomer van 1948 op het strand van Golfe-Juan: 'Ik geef de voorkeur aan Heracleitos boven Plato.' Geen van beiden had hij ooit gelezen. Niemand heeft Picasso ooit met een boek gezien. Maar hij gaf de indruk alles gelezen en onthouden te hebben. Hij bezat de zeldzame gave om uit discussies tussen vrienden de essentie vast te houden om ten gepaste tijden erudiet te kunnen debiteren. In de filosofie voelde Picasso zich aangetrokken tot het ideaal van klassieke schoonheid en Axelos zag er tenslotte uit als een Grieks schandknaap. Ook toen de psychoanalyticus Jacques Lacan hals over kop arriveerde bij de geboorte van Paulo Gilot, de Franse versie van Picasso's voornaam, wisselden ze van gedachten over de inhoud van Françoises droom van een geitestal. Picasso interesseerde zich niettemin op generlei wijze in de psychoanalytische theorie. Maar Lacan was een tijdlang de bevriende huisarts van de schilder, of beter gezegd, Picasso beschouwde hem als zijn lijfarts. Want de man leed herhaaldelijk aan ingebeelde kwaaltjes die met de regelmaat van een klok terugkeerden in periodes van nonproductiviteit. Hij maakte zich druk over het minste teken dat er bij hem iets schortte. Buikpijn was kanker. Jeuk aan zijn linkerbovenarm was een dreigend hartinfarct. De kunsthandelaar Kahnweiler merkte op dat de schilder ondanks zijn overbezorgdheid voor de eigen gezondheid, behoudens op hoge leeftijd, 'nooit ernstig ziek was geweest'. Een type hypochondrische "ziektewinst" was de grote meester niet vreemd. Het verwend gedrag van een jengelend kind, een meelijwekkende lanterfanterigheid, zich laten gaan in zielig zelfbeklag, ... , wanneer het hem maar goed uitkwam. En Lacan had zich  aanvankelijk welwillend geleend tot stand-by geneesheer doorheen goede en kwade dagen. Zijn relatie met Lacan zou Picasso tevens goed uitkomen op het moment dat hij zijn minnares Dora Maar per se wilde kwijtraken. Hij stuurde ze gewoon in analyse bij Lacan. Picasso betaalde zelfs de sessies, zodat eigenlijk hijzelf eerder in analyse was, terwijl zijn Dora zuchtte op de sofa. Maar wanneer patiënt Picasso bij gelegenheid van een routine-onderzoek langs zijn neus weg informeerde naar Dora's vorderingen in de analyse, trok Lacan uit zijn perverte nieuwsgierigheid de gepaste conclusies. De slimme boer in de psychoanalyticus hoorde de vos de passie spreken en verwees Pablo doodgemoedereerd door naar een 'andere' analyticus, waarover hij bij voorbaat wist dat Pablo er niet op zou ingaan, ja, zich beledigd zou voelen. Picasso had wel vaker zijn geliefkoosd homofiel spelletje gespeeld om de vrouwen van vrienden af te snoepen. Vrijend met de vrouw van een vriend, bedreef hij fantasmatisch de liefde met zijn vriend. In zijn wilde fantasieën over de inhoud van de analyse van Lacan met Dora maakte hij nu net het omgekeerde mee. Hij wilde oh zo graag weten wàt zich nu eigenlijk 'afspeelde' tussen een man en een vrouw.

In het dumpen van vrouwen bezat de meester overigens een zekere bedrevenheid. Gelukkig lieten de tijden niet langer toe het te doen "à la façon Henry de VIII". Blufpoker van de Casanova: 'Elke keer wanneer ik van vrouw verander, zou ik de laatste willen zien branden.' Dora zou eindigen in de kloosterorde van Saint-Sulpice. Marie-Thérèse had hij gedumpt in een vegetatief leven op afstand. Alleen met haar en zijn dochtertje Maya overleefde ze door hem bestendig liefdesbrieven te sturen en wekelijks zijn bezoek te ontvangen. Hij onderhield haar om het gevoel te hebben dat ze verder alleen nog voor hem zou leven. Vaak stuurde hij zijn veroveringen honend terug naar hun echtgenoten. Over het erotisch leven van mensen als Picasso, lezen we in 'De extasen van Eros' van Stefan Beyst dat het type haremhouder zich onderscheidt van het Don Juantype. En wel hierin dat de haremhouder na elke verovering zijn bezit verdedigt, terwijl Don Juan zich afvraagt: 'Hoe beëindig je pijnloos een eenmaal begonnen relatie?' Picasso wist kennelijk niet te kiezen tussen beide posities. Was hij nu een haremhouder of een Don Juan? Beyst beschouwt promiscuïteit als een vorm van uitgestelde trouw. Aan wie was Picasso dan uiteindelijk trouw? Zijn vrouwen boden hem uitnodigend hun verboden vrucht aan, in ruil liet hij hen stuk voor stuk achter als een zielige "pijnappelklier". Naar welk vrouwelijk schedelvlies ging zijn verlangen uit?

HET KWAAD KAN NIET WORDEN GOEDGEMAAKT
 
Toen Parijs werd bevrijd, werd Picasso belegerd. De Amerikaanse soldaten bestormden wild enthoesiast het atelier van 'kameraad Picasso'. Hij was communist en trouw partijlid ondanks de berichten over de massamoorden van Stalin. Hij bleef het omdat hij daarin een remedie tegen het gevaar van elk mogelijk fascisme zag. Marx had hij nooit gelezen. Slechts één marxistische stelling bleef hem bij: de filosofen moeten ophouden te wereld te interpreteren, ze moeten de wereld veranderen. Dit - verkeerd begrepen - anti-intellectualisme was mooi meegenomen. Het feit dat deze maker van 'entartete Kunst' daarenboven stoutmoedig in Parijs was gebleven tijdens de oorlog, het getreiter van de Duitsers trotserend, maakte hem tot een volksheld. Picasso strooide graag het verhaal rond dat toen een Duits ambtenaar op zijn atelier een foto van de "Guernica" zag liggen en hem vroeg: 'Is dat uw werk?', hij toen zou hebben geantwoord: 'Nee, het uwe'. Hoewel Picasso plechtig verklaarde dat de reden van zijn blijven met traagheid en niets met moed te maken had, interpreteerde de wereld dit als een passieve vorm van verzet. Het bohémien-genie bewoog zich vlot in kringen van surrealisten en existentialisten. Zijn eerste toneelstuk "Le désir attrapé par la queue" was tijdens de bezetting met medewerking van Jean-Paul Sartre, Simonne De Bauvoir, Albert Camus en Dora Maar publiekelijk gelezen op het appartement van Leiris. Sartre zou daarover later in zijn "Wat is litera-tuur" schrijven dat de essentie in Picasso's toneelstuk luidt: 'Het Kwaad kan niet worden goedgemaakt'. Picasso hield er zo zijn eigen magische denkwijze op na. Toen de bevriende beeldhouwer Julio Gonzàlez overleed, voelde hij zich schuldig aan zijn dood en trachtte hij zijn schuld af te lossen in zeven schilderijen met zijn dood als thema. Toen hij op een dag de straat op liep nadat hij een schilderij van een klein meisje had geschilderd en een meisje zag dat leek op het geschilderde meisje, werd hij angstig. Het was doodsangst. Hij vatte het op als een onheilsteken.   De dag waarop zijn kunsthandelaar Amboise Vollard overleed in een auto-ongeluk, rouwde hij niet, maar was louter gefascineerd door de omstandigheden van zijn dood. Tijdens een kleine aanrijding brak een klein brons van Maillol achterin de auto Vollards nekwervel.  Omdat Vollards chauffeur dezelfde naam droeg als zijn chauffeur en hij het werk van Maillol altijd al gehaat had, werd hij angstig voor de vijandige krachten die hem omringden. Elk toeval of onverklaarbaar feit kondigde het noodlot aan. Het boze oog keek toe.

School er onder de hersenpan van deze dyonisische Minotaurus dan alleen maar bijgeloof en voorgewende eruditie? Zijn afkeer voor filosofen en kunsthistorici was legendarisch. Theoretische interpretaties van het kubisme vanuit de wiskunde, de psychoanalyse, de muziek, whatsoever, wuifde hij weg als literaire nonsens. In een interview met Marius de Zayas van 1923 drukte hij zich ondubbelzinnig uit: 'Wanneer ik iets had gevonden om uit te drukken, deed ik dat zonder te denken aan het verleden of aan de toekomst.' Toen plaatste hij ook zijn beroemde uitspraak: 'Ik zoek niet, ik vind.' Daarmee zette hij zich fors af tegen de opvatting dat kunst onderzoek was: 'In kunst zijn intenties niet voldoende, en zoals wij het in het Spaans zeggen: "Liefde moet bewezen worden door feiten en niet door redenen" '. We horen in elk geval in zijn kryptische bewering hoe de liefdesdaad, de kunstact en de Spaanse moeder aarde nauw aan mekaar verbonden zijn. Ook geloofde hij niet in een vooruitgang van de kunst doorheen de kunstgeschiedenis. Er was een verschil tussen variatie en evolutie, bekende hij. Daarmee rationaliseerde hij alvast zijn hopeloos gevecht met de grote meesters uit de kunstgeschiedenis: Velàzquez was niet beter of slechter dan Picasso, maar gewoon anders. Kubisme was een spel met vorm en kleur, meer niet. Uit deze legitimatie begrijpen we andermaal dat de kunstenaar zelf, in de commentaar op zijn werk, zich niet onderscheidt van de eerste de beste toeschouwer. Er ontstaat alleen een probleem wanneer de kunstenaar ook eigenaar wil zijn van de receptie van zijn werk, zoals vele conceptuelen vaak claimen. Voor Picasso incarneerde de theorie het kwaad. De vrees voor analyse stond zijn furieuse passie in de weg. De retoriek van Picasso is echter niet het exemplarisch voorbeeld van waaruit men Freuds sublimatietheorie kan begrijpen. Het zou eerder een gevalsstudie vergen om Freuds begrip van sublimatie bij te sturen.  Freud stelt in zijn interpretatie van Leonardo da Vinci, dat er een conflict bestaat tussen kunstcreatie en wetenschap. Leonardo wordt gehinderd door zijn onderzoeksdrang. Maar Freud heeft het over een bepaald type van onderzoek, namelijk de seksuele nieuwsgierigheid aanwezig in kindervragen. De duizende kindervragen zijn volgens Freud omwegen om die ene vraag niet te stellen: 'Waar kom ik vandaan?'. Het antwoord daarop zou onstuitbaar leiden naar de erotische aantrekkelijkheid van de moeder en wordt daarom verdrongen. Met name de 'Unheimlichkeit' van de angst die opduikt wanneer iemand in verwarring komt in de nabijheid van iets dat normaliter vertrouwelijk en alledaags schijnt. Het kind verdringt de erotische kracht aanwezig bij de beschermende moederfiguur. Het ervaart daarbij geweld. In Picasso's erotiserende herhalingsdwang in de schildersact zelf en de destructieve behandeling van zijn thematieken, verraadt zich dit heen en weer tussen genot en geweld. Picasso sluit zijn intellectuele nieuwsgierigheid af en speelt in zijn liefdesleven de onverbiddelijke Don Juan en in zijn kunstenaarschap de haremhouder. Hij kon zijn doeken moeilijk afstaan. Hij bleef ze koesteren. Van zijn schilderijen eiste hij de absolute trouw die hij van zijn vrouwen niet kon verkrijgen. Marie-Thérèse veroordeelde hij tot het leven van een sculptuur. Jacqueline was zijn willoze slaaf. Zowel in zijn liefdesleven als in zijn kunstenaarschap overheerste dat kwaadaardige, sadistische genot. Hij verstond echt niet waarom andere mensen niet waren zoals hij, niet vrij konden genieten zoals hij. Picasso thematiseerde de bestialiteit, de agressie en de storm van de passie met zoveel zichtbaar genoegen, dat de moderne cultuurmens niet anders kon dan daarin de verscheurdheid van zijn eigen 'condition humaine' te herkennen. Een doek als 'Doodskop en boek' uit 1946 met toekijkende uil tegen een geometrische achtergrond, verraadt echter een diepere schedelleer.

  1. DEMOISELLES D'AVIGNON

Zijn fotograaf Brassaï tekende een duidelijke uitspraak van de meester op: 'De objectieve werkelijkheid moet je netjes opvouwen als een laken en haar dan voor eens en altijd opbergen in de kast.' De lakens die hij uitdeelde of deze waartussen de stier stoeide? De haremhouder manifesteert zich voluit in het doek 'Les Demoiselles d'Avignon' uit 1907. We zouden het aftelrijmpje van denkbeeldige en objectieve vrouwen verder kunnen aflopen tot in zijn adolescentie - want er was ook nog Olga, en dààrvoor Eva, en dààrvoor Gaby, en dààrvoor Fernande, en dààrvoor ... - maar meer dan herhaling van 'the same old story' zou dit niet opleveren. In zijn beroemde - onafgewerkte - meesterwerk, afgeleverd in zijn 26ste levensjaar, borstelt de jongeman in zijn moederland een prostitutiehol bij mekaar. Uit de moeizame voorstudies tot dit doek duikt voortdurend een man met een schedel op. In het uiteindelijk resultaat is de mannelijke tronie een Afrikaans masker geworden. Opmerkelijk is dat Picasso de invloed van de primitieve kunst op dit werk altijd heeft ontkent. Deze obligate leugen moest precies zijn verdringing van de schedel goedmaken: het masker had de schedel vervangen. In een gesprek met Malraux, dat de auteur pas na Picasso's dood heeft durven publiceren, bekent Picasso letterlijk na een bezoek aan het Museum voor Etnologische Kunst te Parijs: 'De negermaskers waren wapens. Om mensen te helpen te vermijden onder invloed te komen van de geesten! Om hen te helpen onafhankelijk te worden. Ze zijn gebruiksvoorwerpen. Wanneer we geesten een vorm geven, worden we onafhankelijk. (...) Op dat moment zijn "De Jonge Dames van Avignon" tot mij gekomen. Maar niet omwille van de vormen, maar omdat het mijn eerste exorcistische schilderij was.' Het thema van de prostituees had de jonge Picasso niet moeten zoeken. Hij had al voldoende de hoerehuizen afgelopen. Maar hij trachtte in het doek dat hem beroemd zou maken een "exorcistisch" motief te bemeesteren.

In januari 1895 overleed zijn zesjarige zus Conchita ("conceptie") aan tuberculose. Pablo was toen veertien. De geboorte van Conchita was samengevallen met zijn eerste verwijdering van onder moeders rok naar school. Zijn schoolfobie bestond vanaf de eerste schooldag. Zijn vriend Julio Gonzalez heeft later afdoende getuigd over Pablo's haat tegenover zijn zusjes. De "objectieve" realisatie van zijn doodswensen heeft de puber van streek gebracht. Hij zou gedurende de rest van zijn leven de sterfdatum dedateren. Maar belangrijk was dat hij op het sterfbed van Conchita tussen zichzelf en God een verbond afsloot: indien zij zou overleven, beloofde hij nooit nog een penseel aan te raken. Wetend dat Pablo toen al door zijn vader was klaargestoomd voor een schildersleven en dat zijn vader na de dood van Conchita zijn palet en penselen aan Pablo gaf, zeggende: 'Nu wil ik nooit meer schilderen', weten we van wie de schedel is die Pablo een levenlang ronddraaide en vanuit elk perspectief wilde zien. Hij wilde erin binnendringen, de wormen tellen ... om te weten waarom zijn offer, zijn liefde niet werd beantwoord door God.

-----------------------

Tentoonstelling 'De jaren van het kubisme', in het Musée d'art Moderne Kunst de Lille Metropole, 1 allée du Musée te Villeneuve d'Ascq (0033 3 20196868), van 13 maart tot 18 juli (alle dagen van 10u. tot 18u., behalve dinsdag)

Tentoonstelling 'Picasso. Kunstenaar van de eeuw', in de Kunsthal, Museumpark, Westzeedijk 341 te Rotterdam (0031 10 4400300), van 13 maart tot 4 juli (alle dagen 11u. tot 17u. behalve maandag)

Stefan Beyst, 'De extasen van Eros. Over liefde, lust en verlangen.', Hadewijch, Antwerpen-Baarn, 1997.