Logo Joannes Késenne

madpxl

De ars moriendi van Alfred Kubin

Het gezicht van wie ontslaapt draagt niet alleen een dodenmasker. De esthetica van de dood bedenkt onze fatale bestaansconditie met een rijk palet aan beelden, literaire metaforen en muzikale retoriek. Vergankelijkheid, verlies en verdwijning hebben kunstenaars geïnspireerd tot de meest verheven expressies. Het dodenlied loopt als een zwarte draad door de lyriek van volken en tijden. Het is zelfs een apart genre met eigen kenmerken van inhoud en stijl. Het kan bogen op een eerbiedwaardige traditie. 'De aarde is niet uit haar baan gedreven, toen uw hartje stil bleef staan', treurt Elsschot bij het doodsbed van een kind. En welke sterveling zal ooit kunnen weerstaan aan de opstandige wanhoop van het koor uit Bachs 'Trauerode': 'Lass Fürstin, lass noch einen Strahl aus Salems Sterngewölben schiessen'?   Evengoed voert het 'Dodeneiland' van Arnold Böcklin ons binnen in een mysterieus Jenseits, voorbij aan alle koue drukte uit dit hiernumaals.  Telkens is het een zinnelijk aftasten van deze beklemmende levenscategorie waarover niet één bolleboos het weten bezit. Zodoende buigt ook de kunst deemoedig het hoofd voor het absolute meesterschap van de dood. In esthetisch opzicht spant het levenseinde een triomfboog over elke hartstocht. We krijgen de keizer van verdriet dan ook vooral te zien in de meest fantasierijke gewaden. Van déze decadente glorie is het oeuvre van graficus, schilder en schrijver ALFRED KUBIN gewoon doordrenkt. Het Museum van Elsene is met deze gelukkige keuze lang niet aan haar proefstuk toe. Zijn programmatie onderscheidt zich van het bloedeloze tentoonstellingslandschap in sommige paleizen door een tegelijk bescheiden en verfijnde kieskeurigheid. Wars van publieksgeil divertissement, redt deze kunsttempel de bijzondere beeldkwaliteit die Alfred Kubin biedt van onheuse vergetelheid.  Want Kubin schrijft zich in binnen de morbide psyché van een Oostenrijk dat in het kielzog van zijn ineenstorting begin deze eeuw, een spoor van demonisch erotisme trekt doorheen de geesten: van Kubin tot Günter Brus, van Thomas Bernhard tot Elfride Jelinek. Het is een geestelijke creativiteit die slechts dankzij het verval, ook de waarheid ervan heeft kunnen thematiseren.

DE KLUIZENAAR VAN SCHLOSS ZWICKLEDT
 
Alfred Kubin wreef het felle levenslicht uit zijn ogen in het wiegejaar 1877, want zoals ieder van ons wilde hij de eerste dagen vooral niets zien. Men kan de boorlingen tenslotte geen ongelijk geven. Ontsproten uit een legerofficier en een pianiste in het Bohemen van een Keizerlijk Midden-Europa,  maakte hij iets te vroeg kennis met de nekslag aan het leven. Zijn geliefde moeder sterft wanneer hij amper tien is. Wanneer moeders zus de handtastelijke vader kort daarop dan maar besluit te huwen, wisselt ook deze stiefmoeder al tijdens het eerste kinderbed het ondermaanse in voor één of andere eeuwigheid. Kleine Alfred werpt zich van dan af als een onhandelbare puber voor de voeten van zijn overstrenge pa. Als antwoord op de verwerping die de jongeman meent te ervaren, wentelt hij zich in donkere stemmingen van wanhoop en zelfhaat. Negentien jaar oud acteert hij een pathetische zelfmoordscène op het graf van zijn moeder. Gelukkig voor ons, gaat de blaffer niet af. Let wel, precies aan dit soort slapstick ontleent Kubins artistiek idioom later inspiratie. Het is de macabere kunst van balanceren op een flinterdunne koord. Slechts zelfspot houdt hem overeind boven de afgrond van angst en depressie. Zijn radeloosheid zal hem een levenlang achtervolgen. Wanneer tijdens zijn legerdienst de commandant plots overlijdt, slaan bij Kubin bij het open graf alle stoppen door. Een psychiatrisch sukkelstraatje volgt. De patiënt wordt geplaagd door lugubere wanen die hij tot in het detail kan beschrijven: van akelige terechtstellingen in de vrieskou is hij de bevoorrechte getuige, spectaculaire ongevallen verminken welbepaalde lichaamsdelen van de mensen uit zijn omgeving, de bijzondere handelingen van de grafdelver hebben voor hem geen enkel geheim. Echter niet getreurd, want gelukig  zal de kunst hem redden. Een familievriend heeft het verstand om hem naar de kunstacademie van München te sturen. De student had op dat moment nog nooit een museum van de binnenkant gezien. De passie die hij daar opvat voor een eigenzinnige lijnvoering, los uit de polsen, doet hem de beelden tevoorschijn toveren waaronder hij voorheen gebukt liep. Eindelijk ziet de buitenwereld wat hij ziet. Voor het eerst kunnen anderen namelijk afleiden uit zijn tekeningen hoe de mensenwereld niet bevolkt is door waardige lieden, maar eigenlijk niet veel verschilt van een vreemdsoortig, vraatzuchtig fauna. Een gezellig café verwordt tot een bloederige massa van witte muizen die mekaar lustig opvreten, om maar een voorbeeld te geven. In het werk van de symbolist Max Klinger ontdekte hij hoe de kunstenaar zijn wildste dromen kon vormgeven en tevens  door een publiek doen appreciëren. Op zijn zesentwintgste al valt hemzelf enig succes te beurt. Zoals elke goede kunst herinneren zijn ontworpen vervormingen van herkenbare realiteit, ons - doodgewone neurotici - aan die beruchte andere kant van het goede leven.

Maar Kubin moet eerst nog meemaken dat uitgerekend zijn verloofde overlijdt, vooraleer hij op zevenentwintigjarige leeftijd weduwe Gründler huwt, om haar daarna nooit meer te verlaten. Hij zal zelfs een levenlang de zorg voor zijn vaak zieke geliefde opnemen. Opmerkelijk is toch dat hij zich pas op de plaats van een overledene seksueel genot kan toestaan. Ze kopen een kasteelwoning in het dorp Zwickledt, in het huidige Ober-Östenreich. Hij zal er nooit meer weggaan, tenzij voor reisbezoeken aan vrienden of artistieke bestemmingen. Hij maakte persoonlijk kennis met Solomon Moser, Odilon Redon, Franz Kafka, Paul Klee, Max Beckmann en andere illustere tijdgenoten. Hij laaft zich aan de geschriften van Friedrich Nietzsche en voert een intellectueel debat met de filosoof Salomon Friedlaender. Het schrijven van zijn enige roman 'Die andere Seite' (in vertaling 'Aan gene zijde' bij Uitg. Bres) uit 1909, markeerde een wending in zijn artistiek oeuvre. Een halve eeuw leidde hij teruggetrokken, maar artistiek en intellectueel gedreven, een kluizenaarsbestaan. Over zijn levenswandel tijdens de twee wereldoorlogen bewaren zijn Oostenrijkse hagiografen deemoedig het stilzwijgen. Kubin wist vooral zijn imago van indolente heremiet te gelde te maken. Zijn bevreemdende roman vormt overigens de sleutel tot Kubins werk. Het loont de moeite dit geschrift - dat Kafka heeft gekend - te lezen tegen de achtergrond van Kafka's latere roman 'Das Schloss'.  Kubin schreef zijn tekst in twaalf weken tijd en voorzag hem achteraf van eigen illustraties. Als illustrator was hij in zijn dagen gewoon 'overvraagd'. Vaak weigerde hij opdrachten, zeggende: 'Ik mag toch niet de enige zijn in de ogen van het nageslacht!'

DE APOCALYPS VOLGENS KUBIN

Om te beginnen vormt de novelle een verbaal commentaar op het grafische werk dat Kubin na 1909 zal afleveren. Zo kan men later beeldmateriaal dikwijls gewoon bekijken tegen het licht van letterlijke passages uit het boek. Er is sprake van een directe link tussen zijn literaire expressie en de narratieve inslag van zijn uitbeeldingen. Dit heeft het supplementaire voordeel
 
dat de tekst inzicht verschaft in de ziekelijke zielestrijd die Kubin uitvocht met de demonen uit zijn verleden. Het is met andere woorden een programmatisch document in meerdere opzichten. Overigens is er voor de liefhebbers ook nog zijn herhaaldelijk geredigeerde autobiografie.
 
Het lijkt erop alsof de kunstenaar in deze dialectiek van woord en beeld de wereld nog eens dubbel en dik heeft willen confronteren met zijn toch wel bijzonder naargeestige levensvisie.  Veel van zijn tekeningen - bijvoorbeeld uit de collectie 'Dodendans' - dreigen immers af te glijden in de richting van folkoristische voorstellingen van dood en decadentie. Maar bij nader inzien zijn het eerder filosofische vertellingen die ons herinneren aan de finale absurditeit van het bestaan en de ontbinding inherent aan alle groei. Kubins plastisch werk vormt geenszins een therapeuticum als middel om zijn angsten te bezweren, een type verdediging tegen ondraaglijke stormen. Nog minder is zijn fantasiewereld te beschouwen als een sluipend gif dat zijn geest nog verder aantast. Niets daarvan. Eerder ziet men een dubbeltalent aan het werk dat met alle middelen wil doorstoten tot de grens van zijn psychisch kunnen. Kunst als verkenning en verovering op onontgonnen terrein. Hij beëindigt zijn roman met een cryptische bewering die men als zijn lijfmotief zou kunnen aanzien: 'De wereldziel leidt een dubbel leven.'  Want het is op die andere kant van ons afgestofte, ordelijke en zelfvoldane leven dat Kubin de vinger wil leggen. Het verhaal zou men bij oppervlakkige lezing als een allegorie van het moderne leven kunnen opvatten. Kubin beschrijft een droomrijk genaamd Perle, een imaginair staatje in het onbereikbare binnenland van China. Het wordt bestuurd door een absoluut heerser die de vooruitgang buiten de grenzen weet te houden en erin slaagt zijn bewoners te laten genieten van hun wereld als een idyllisch antiquariaat. Zo trekt hij ambachtelijke kunstenaars aan om vorm te geven aan deze mysterieuze romantiek, dit Biedermeierdecor. Maar de verteller, een bewoner-tekenaar van dit droomland - Kubin zelf dus -, ontdekt beetje bij beetje de gruwelijke achterkant van het theatrale vernis. Ondefinieerbare schreeuwtoestanden, donkere afgronden, unheimliche persoonsveranderingen, spookdieren enz. doen hem en zijn vrouw twijfelen over de grens tussen waan en werkelijkheid.  Zijn vrouw takelt af tengevolge van  gruwelijke hallucinaties en sterft tenslotte in angstzweet en huiveringwekkend tandengeklapper.  De rest van de roman is een pijnlijke beschrijving van de stapsgewijze ontbinding van de droomstaat tot een apocalyptisch disaster. Het is zoiets als westerlingen zich voorstellen bij de recente gruwelen in Ruanda. Tengevolge namelijk van de veroveringszucht van een Amerikaanse corned-beef handelaar, die de vooruitgang introduceert met kapitaal en corruptie,  desintegreert het droomwereldje tot het totale inferno. Beangstigend toch wel is het gedetailleerde verslag dat Kubin brengt van het proces van verval.  De agressieve, hongerige dierenwereld zal de mensenwereld domineren. De verbrokkeling tast alles aan: muren scheuren, hout vermolmt, ijzer roest, textiel valt uit elkaar, de kunstschatten vernietigen van binnenuit. Het wordt een hel van modder, schimmel, bederf, stank en dood. Maar het verval van het droomrijk zette zich vooral door op het gebied van de zeden: 'Een nog erg jong, mooi meisje stelde zich te weer en sloeg een kerel met een dubbele struma een oog uit. Voor straf werd zij op een ijzeren ledikant vastgebonden. Met ongedierte overdekte schepsels, met weggewreten neuzen, etterende ogen, vuistdikke gezwellen en schurft bogen zich over het geboeide meisje, dat terwijl ze op deze manier geschoffeerd werd eerst waanzinnig werd en stierf. ' Of neem nu deze passage: 'Nieuwsgierig tilden de politiemannen de neergeschotene op om te zien wat hij eigenlijk zo zorgzaam bedekte met zijn lichaam: een hoofd in ontbinding, waar dik, lang, kastanjebruin haar aan zat. Het leek te leven. Er was beweging in de oogholten en rondom de lippen die wel vastgeplakt leken - krioelende maden.'  Met deze uiterst macabere ondergang van het droomrijk wilde Kubin aantonen hoe de andere kant van de visuele wereld geregeerd wordt door verrotting, corruptie en kwaad. Deze andere kant is niet alleen een mogelijke wereld, maar eerder de ondeelbare essentie van onze realiteit. Het is de vaste overtuiging van Kubin dat niet het leven eindigt met de dood, maar dat de dood zich in levende lijve in de gedaante van lentegroen presenteert! De dood leeft. In deze duivelse orgie van het leven schuilt zijn 'ars moriendi'.  Aan de dubbelheid van het leven geven zowel zijn grafisch werk, als zijn schilderijen uiting. Het was Kubins bezorgdheid om deze andere kant te tekenen aan déze zijde van de dingen.' De demiurg is androgyn', dichtte hij ooit.

DE METAMORFOSEN VAN DE BLIK

Deze voorliefde voor de verborgen en lugubere geheimenissen van onze ervaring, wordt in zijn beeldmateriaal gekruid met soms milde, soms macabere  humor. Vaak was hij ten prooi aan een lawine van innerlijke beelden die hij daarop koortsachtig aan het papier toevertrouwde. Zoals de twintigste eeuwse kunstscène gebukt loopt onder een metamorfose van de representatie, zo zal Kubin van bevreemdende gedaantewisselingen zijn waarmerk maken.  De mythologie van de vrouw leent zich daartoe: vrouwe-natuur, zwanger van wat?, dierlijke vrouw, dodelijke verleidster ...Het zijn schetsen van nare dromen die aanzetten tot een maagkering van het vertrouwde realiteitsgevoel. Mens en dier, duisternis en daglicht, stedelijke puinhoop en wilde natuur, meisje en dood, geweld en tederheid, angst en rust, verheven en verdorven, genot en afkeer, ... in de wereld van Kubin zijn deze geruststellende polariteiten volkomen inwisselbaar.  Zijn prille beginperiode tussen 1898 en 1902 wordt gekenmerkt door een tekendrift die getuigt van humoristische gewelddadigheid. Hij experimenteert in 1903/04 veel met kleurtechniek.  In de jaren die daarop volgen drijft hij de figuratie tot op de rand van de abstractie. Maar na de publicatie van zijn boek bereikt zijn kunstenaarschap een maturiteit die hij vijftig jaar zal volhouden. Hij erkent en aanvaardt zichzelf als tekenaar. Hoewel de tekeningen vaak worden ingekleurd, overheerst het droedelende wroeten van zijn meesterhand.  
Soms komt Ensor om de hoek kijken, soms Chirico, soms Goya, maar altijd wijkt het geordende leven voor het a priori van iets onberekenbaars. Kubin is de golem van de tekenkunst.

-----------------
'Alfred Kubin' , Museum van Elsene, Jean Van Volsemstraat 71, Brussel
nog tot 26 januari (weekdagen: 13u. - 19u. / weekend: 10u.-17u./gesl. op maand. en feestd.)
Catalogus van Snoeck-Ducaju & Zoon/Pandora.