Logo Joannes Késenne

madpxl

Het theater van de weerzin

Het fotografisch universum van de Amerikaanse fotograaf Joël-Peter Witkin is bij het grote publiek onthaald op afgrijzen en walging. Wie opgezette lijken, hermafrodieten in perverse standjes en gehandicapte lichamen fotografeert en deze daarenboven in iconografisch herkenbare decors doet poseren, kan nu eenmaal niet verwachten dat, om maar iets te zeggen, het bestuur van het Cultureel Centrum van Leuven - inmiddels berucht tot in de Algerijnse dorpen voor zijn religieus fundamentalisme - daar wild van wordt. Wanneer we dit Leuvens moraliserend paniekvoetbal voor de gelegenheid terzijde schuiven, kan men er niet naastkijken dat Witkins werk grensverleggend is op drie betekenisniveau's: ten aanzien van de contouren van ons lichaamsbeeld, ten aanzien van het eindstation van de kunstgeschiedenis en ten aanzien van die akelig fatale scheidingslijn waarop iemand nog diep ademt om daarna nooit meer te verzuchten. Met andere woorden, Witkin is een grootmeester van de banaliteit: onze angsten voor ziekte en aftakeling, de oververheven status van onze culturele iconen daartegenover en het macabere van onze eigen dood, dit alles wordt bij hem verbiedermeierd tot herkenbare familiekiekjes. Choquerend zijn deze prenten al lang niet meer voor onze gulzige ogen, wij verwende rentmeesters van het nieuwste 'faim-de-siècle'. En, als we de kunstenaar zelf mogen geloven, is dit ook nooit zijn bedoeling geweest. Eerder ontglippen deze macabere beelden hem op van die onbewaakte momenten van vertederend medelijden. We kennen deze melige gruwel eigenlijk allemaal wel. De viscerale afkeer bijvoorbeeld wanneer voor de derde keer op rij het carrièristisch punthoofd van dienst zijn slappe lul op de onderhandelingstafel legt. De lompe arrogantie van de macht is immers sterker dan elk deugdelijk argument. Of neem nu de wakke nattigheid die ons tot de lippen stijgt bij mediale close-ups van verhakkelde lijken uit een oorlogsgebeuren. Met cynische gemakszucht blijven we als bevoorrechte getuigen op het droge, maar de eetlust vergaat ons. In feite esthetiseert Witkin dit soort fysieke walging. Hij toont uitvergrotingen van een ambivalente gevoelstemming waarin pijn, schroom, afkeer en genot vermengd zijn. Hij materialiseert dit gevoel op fotografisch zilverpapier.  Het levert een wereld op waarin al wat menselijk er maar dunnetjes uitkomt.

Het lichaamsbeeld.
Het beeld van een marteling creëert een ruimte als een erotische sacrament. In deze wellust wordt het lijden van de mensheid op haast sacrale wijze gesymboliseerd. Maar deze obsessie voor ingewanden en menselijke resten doet beroep op de meest zwarte regio's van onze verbeelding. De grenzen van ons lichaamsbeeld vervagen, ons zelfbesef lijkt te verpulveren. We beleven het voorproefje van het einde der tijden. Met deze voorliefde voor het verachterlijke, het weerzinwekkende, de afval, de overschotten enzovoort, bevindt Witkin zich in het gezelschap van een auteur als Louis-Ferdinand Céline. Ook Céline focust in op de afgrijselijke grauwheid van het bestaan die de mens de nacht invoert.

De kunstgeschiedenis.
 
Witkin plukt beroemde doeken uit de kunstgeschiedenis, zoals 'Las Meninas' van Velasquez, of bespeelt allegorische thema's, zoals 'Leda en de zwaan', om de blik van de toeschouwer mee te tronen voorbij de façade van de praal en de mythe. Het lieftallige, fiere meisje dat centraal staat in 'Las Meninas' ondergaat een metamorfose: het verschijnt als een verminkt bovenlijf, gedragen door een hoepelrok op wieltjes, verloren in een slachtkamer. De fysieke aftakeling van de Habsburgers wordt zichtbaar tegen een vertrouwde achtergrond. Het is als een droom in een droom. Het wellustige vluggertje van Zeus met Leda, de vrouw van een Spartaanse koning, parachuteerde een aantal eieren in haar schoot. Witkin toont in de figuur van een staande Leda , zoals in het doek van Leonardo da Vinci, het lijk van een uitgemergeld tweegeslachtelijk wezen in een lugubere omgeving.  De fotograaf noemt zijn werken zelf 'stillevens'. Als zelfstandig genre dateert het 'nature morte' uit de zestiende eeuw, maar komt tot zijn hoogtepunt in de Hollandse en Vlaamse schilderkunst van de 17de eeuw. Met fotografische middelen vervangt Witkin de klassieke objecten uit het stilleven (de bloemen, het fruit, de kaars, de schedel, de omgevallen beker, het boek, enzovoort) door lichaamsresten en geslachtsdelen. Aan het vanitaskarakter kan inderdaad niemand voorbij kijken.   De barokke tijdsgeest is Witkin niet vreemd.

De dood.
Door lijken te doen acteren weet Witkin de dood op kousevoeten te downloaden. Met de koele blik van een anatomist voert hij een ornamentele vivisectie uit op zoek naar de levenssappen van de overledene, alsof de liefde, het verdriet, het lijden en de vreugde die iemand in zijn leven heeft gekend af te lezen zijn van het dode lijf. Daarmee overschrijdt deze artistieke medicus een grens van intimiteit. De eerbied en de schroom waarmee mensen van alle culturen met lijken omgaan getuigt eerder van een zich afschermen van de bewogen levensgeschiedenis van de afgestorvene. De dode wordt sussend bejegend en in de watten gelegd om hem zo in zijn waardigheid te bevestigen. Bij vele etnische culturen wil men de dode geesten gunstig stemmen door funeraire dansrituelen op te voeren. Deze Oekraïnisch-Italiaanse jood uit een Noord-Amerikaanse stam op Brooklyn-island geeft echter inkijk in het dodenrijk. De afgestorvene krijgt een vooraanstaande positie in het land van de levenden. Zijn levenstijd wordt verdicht tot de hoofdrol in een tragi-komisch theater van de weerzin.   

Joannes Késenne
--------------------
'Joël-Peter Witkin' in de Bogardenkapel, Katelijnenstraat te Brugge (C.C. Brugge) in Galerie De Lege Ruimte (recent works) Citadellaan 48 te Gent.