Logo Joannes Késenne

madpxl

Maakt kunst staat?

Tentoonstelling in het Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten te Hasselt

Wie ooit het genoegen had bij een passioneel collectioneur in hedendaagse kunst aan te lopen, kon genieten van een verzameling, die naam waardig. De werken 'exhibitioneren' zich als de fotografische uitvergroting van een imaginair liefdesleven. Een midlifecrisis leert nu eenmaal dat hartstochten veeleisend en kieskeurig zijn. Is misschien de afwezigheid van begeerte in de 'Vlaamse commissie beeldende kunst' de reden waarom de uitgestalde Verzamelde Werken van de Vlaamse Gemeenschap zo bloedeloos ogen? De aangekochte kunstwerken vormen elk in hun knusse hoekjes wel een eye-opener. Maar wanneer ze in de rij moeten lopen van de 'kunstwerken verworven door de Vlaamse Gemeenschap in 1994 en 1995', lijken sommige in ademnood te verkeren en andere de uitgang niet te vinden. Schort er iets aan het lijstje criteria waarmee de "aankoopcommissie" zwaait of huist het euvel elders? Twee tentoonstellingen nodigen uit tot hardop denken. Op 12 januari '97 liep een presentatie van deze verzameling ten einde in het Muhka, maar tot zondag 23 maart '97 loopt de expositie 'Maakt kunst staat?'in het Provinciaal Museum voor Beeldende Kunsten te Hasselt. Het belooft 'een visie te worden op hedendaags kunstbeleid in Vlaanderen'.

MAAKT KUNSTKRITIEK STAAT?

Of men staat kan maken op kunst, weet ik niet. Maar in elk geval kan geëngageerde kunstkritiek de staat tot andere gedachten brengen. De vernietigende commentaar van Dirk Pültau, Ilse Kuijken en Koen Brams in De Witte Raaf n 53 van januari-februari 1995 op het aankoopbeleid in bewoordingen als: 'Een gruwelijke verzameling, een wansmakelijke tentoonstelling', maar tevens goed beargumenteerd, zaaide twijfelzucht bij de dames en heren commissieleden. Zo bewijst deze Witte Mars der raven hoe raak de pen met scherp kan schieten. Een uitgedunde commissie stuurde een en ander bij, zo blijkt uit de 'Verantwoording' die commissievoorzitter Marc De Cock uit zelfverdediging schreef voor de nieuwe brochure bij het vertoon van de aankopen in het Muhka. Graag maak ik hierbij van de gelegenheid gebruik om te wijzen op de inherent problematische verhouding tussen woord en beeld in elk spreken over beeldende kunst. Niet zonder reden thematiseert veel beeldend werk van onze tijd dit hete hangijzer. Het artikel van Pültau in hetzelfde nummer over de collectie van het Muhka nam vooral de misleidende rol van gedateerde soortnamen op de korrel als criterium van selectie. Toegegeven, op zoek naar representatief werk onder labels als 'postmoderne sculptuur' of 'drie-dimensioneel werk' vangt men vliegen. Maar wat moeten we aan met de metaforen die de bewuste criticus zelf naar voor schuift: 'integriteit van werk en kunstenaar', 'interessante contextualiteit' of 'specifieke kwaliteit'? Concreet wordt dit dan bij een werk van Guy Mees: 'De volheid van de scherf die haar eigen tekort markeert (of haar eigen ontbreken daaraan is) maakt dat dit werk zoveel ter plaatse trappelende, reactionaire nostalgie van het fragment overstijgt.'

Nou, als dit soort proza ooit kracht van wet krijgt voor een selectiecommissie, het mag je dagje wezen!

In elk geval heeft dit ertoe geleid dat de commissieleden - onder de indruk van zoveel nieuwlichterij - een uitvoerige toelichting hebben gevoegd bij de notie 'museale kwaliteit'. Het klinkt nu zo: ' (...) slechts 'inhoudelijke kwaliteit', een waarde inherent aan het kunstwerk zelf '. En verder blijkt dat de notie 'kwaliteit' tweevoudig kan worden ingevuld: enerzijds '(...) binnen de bestaande contextualiteit op een exemplarische manier de plastische taal hanteren om relevante betekenisinhouden uit te drukken en over te dragen' en anderzijds 'de bestaande plastische taal en conventies op een zodanige manier te bevragen en te (her)interpreteren dat nieuwe taalmo-gelijkheden/betekenisinhouden een andere perceptie van de veelgelaagde realiteit creëert'.

Nou, als de criticus het hiermee zou moeten doen, ik zou niet graag lezer wezen!

Let wel, ik maak hier niet het proces van kunsttheoretische beschouwingen, maar herinner aan de ingebakken onmogelijkheid van taal om op adequate wijze over beelden te spreken. Misschien is poëzie - als beeldend spreken - het enige genre dat zich daartoe op suggestieve wijze leent. Maar zeker niet het type kunstkritiek dat materiaalbeschrijvingen levert als golden het gebruiksaanwijzingen voor een huishoudapparaat. Om deze principiële handicap van de taal in de verf te zetten, veroorloof ik me even het volgende interludium. Er loopt momenteel een pedant spotje op 'Radio 1' onder de titel 'Gebakken lucht'. Deze marktkramers - die zich beroepshalve programmamakers noemen - happen bestendig naar lucht bij het lezen van de onverteerbare taal uit de pen van kunstcritici, in de mening dat alleen hun eigen verkleuterend geleuter luistercijfers oplevert. Ze rukken één grammaticaal complex geformuleerde zin uit zijn verband en slijmen de criticus van dienst telefonisch onverhoeds om uitleg. En dan maar billenkletsen! De ingehuurde manager van het huis hoefde nog maar met zijn ogen te knipperen of de broodbakkers van 'Radio 1' hervormden hun radiootje al bij voorbaat. Maar het zal niet mogen 'voorbaten', want integrale kwaliteitscontroleurs lusten op het einde van de rit alleen maar baten. Om maar te zeggen: het gevoel dat de kunstkritiek niet de taal der mensen spreekt, zweert bij de bemiddelende functie van de kunstkritiek en vergeet de noodzakelijke omweg die de reflectie moet maken. Het is een welbepaalde tijdsdimensie die deze eeuw van de snelheid denkt te kunnen overslaan. Het is 'de ontoereikendheid van het gewone, gelukkig verlopende leven om zelfs maar het naburige dorp te bereiken', zoals Kafka het formuleerde. Als er niet meer gedacht wordt, valt er straks ook niets meer uit te leggen. Kunstkritiek wordt teveel beschouwd als visitekaartje van de kunstenaar of wegwijzer naar het kunstwerk. Of om het nog anders te zeggen: bij ontstentenis van artistieke zelfkritiek, is grondige kunstkritiek meer dan geboden.

Tusen kunstkritiek en kunstobject staan nu eenmaal wetten van Elsschot in de weg. Over taal en beeld hebben deze eeuw de filosofen onderwezen hoe geen van beide op adequate wijze naar de dingen verwijzen. De kunsttheorie en de beeldproductie hebben daaruit kennelijk de conclusie getrokken dat het maar beter is louter naar zichzelf te verwijzen. Zo schrijven kunstwerken zich effectief meer en meer in binnen een gesloten circuit - hoe internationaal ook - en eisen het statuut op van meta-verhaal. Van zijn kant verwordt de kunstkritiek meer en meer tot een autonoom taalspel dat als een vliegtuig cirkelt boven de luchthaven zonder ooit te kunnen landen, als een reiziger die nooit echt aankomt. Kunstwerken fungeren dan als 'intertextueel' materiaal binnen het corpus van de kunstkritiek, een denkbeeldig punt ergens diep onder de buik van het luchtschip. Maar zijn taal en kunst dan niet langer symbolische systemen die ons denken en waarnemen kunnen verdiepen? Is er geen verankering meer met het reële?

OH PARADOX DER VERZAMELINGEN !

De logicus Bertrand Russell heeft als zovele illustere voorgangers zijn tanden gezet in de paradox van de leugenaar, je weet wel: de Kretenzer die zei dat alle Kretenzers leugenaars zijn. De grote Russell kon niet leven met de onvermijdelijkheid van een onoplosbare tegenstrijdigheid, hoe zuiver ook de premissen. In zijn autobiografie vertelt hij over de 'intellectuele inzinking' die hij er aan overhield: 'Het scheen een volwassen man onwaardig om zijn tijd te verspillen aan zulke trivialiteiten, maar wat moest ik doen?' In de taal van de wiskunde klinkt het probleem als volgt: de verzameling van alle verzamelingen die zichzelf niet als element hebben, heeft ofwel zichzelf als element, ofwel zichzelf niet als element. De alternatieven leiden elk tot een contradictie. Welnu, de ideale kunstverzameling die de Vlaamse overheid voor ogen heeft, lijkt mij in een vergelijkbare impasse te stranden: 'De Vlaamse verzameling van alle kunstverzamelingen die zichzelf niet als kunstwerk beschouwen, is ofwel zelf een kunstwerk, ofwel zelf geen kunstwerk'. Want hier nijpt precies het schoentje. Een overheid die meent objectief te kunnen verzamelen, via 'opwaardering van de bestaande collectie door het wegwerken van lacunes', pleegt zelfbedrog. Het is de mythe van de volledige verzameling, van de ultieme bibiliotheek van Borgès. Eerst een representatieve verzameling wensen samen te stellen, om dan daarmee een sterke tentoonstelling te willen bouwen, lijkt mij de wereld op zijn kop zetten. Want hoe herkennen we representatieve kunstwerken? Aan het functioneren van die werken binnen de context van goeie tentoonstellingen, toch? Het volstaat bijvoorbeeld niet om vijf kunstenaars volgens de getrapte methode te doen aanschuiven in een slecht verlicht labyrint en van één der grootsten onder hen zwak werk te tonen met de bedoeling een plaatselijke ster te doen schitteren. Dit heet dan een rotslechte expositie, hoeveel toeristen men ook over de drempel sleurt. Maar dit terzijde. Waarom belast de minister zo'n aankoopcommissie niet meteen met een tentoonstellingsopdracht? Een tentoonstellingsmaker met bewezen diensten aanstellen op basis van een concept dat de tijdsgeest trotseert, deze internationale expositie bouwen op Vlaamse grond, achteraf de kunst uit Vlaanderen aankopen binnen deze specifieke context, de beeldproductie vasthaken aan een discoursprogramma op niveau, een verzorgde catalogus achteroverdrukken, tot publiek debat prikkelen, een educatieve omkadering scheppen en een doordachte promotie voeren, moet toch kunnen? Zo bewijst een verzameling zich als een 'state-of-the-art', als de thematische verwerking van een momentopname in de geschiedenis van het Vlaamse zelfbewustzijn.(oef, het is eruit!) De context van een kunstwerk vormt immers niet het museum of de kunsthal, maar het maatschappelijke tijdsgewricht. Bijkomend voordeel is dat de verzamelde werken dan tenminste gedurende een poos documentaire waarde verkrijgen, een periodegebonden eenheid vormen. Zo benadert het de obsessie van de privéverzamelaar, in plaats van de bureaucratische ruilhandel tussen - voor de gelegenheid decretaal gemandateerde, maar - verlichte geesten. Wat blijft hangen in het tentoonstellingslandschap van de laatste jaren? Als je't mij vraagt: 'Chambres d'amis' en 'Open Mind' van Jan Hoet in het Museum voor Hedendaagse Kunst te Gent, 'Het Sublieme Gemis' van Bart Cassiman in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, 'Woord en beeld' van Flor Bex en Jan Foncé in het Muhka, 'Het Hooglied' van Paul Vandenbroeck in het PSK. Het zijn beelden die beklijven omdat aan de kunstwerken meerwaarde werd verleend door de creativiteit en de denkkracht van de tentoonstellingsmakers. Over de waarheid van de chaostheorie wordt toch ook niet democratisch beslist?

De eeuwige dooddoener over het elitaire karakter van hedendaagse kunst klinkt bevreemdend. Niet het tekort aan betrokkenheid van de kunst op onze tijd wordt gelaakt (die betrokkenheid is immers groot!), maar wel het gebrek aan massaconsumptie. En àls er al eens grote belangstelling is - zoals voor Documenta of voor de megatentoonstellingen in Parijs - emmeren diezelfden over een nieuwe religie. Bij de uitverkochte voetbalstadia vol hysterisch kelende lieden kraait nochtans geen haan driemaal over religie. Kunst wordt elitair bevonden wegens niet samendrukbaar tot gulden middelmatigheid. Een geïnformeerde participatie aan het kunstgebeuren kweekt ongenoegen. Slechts de numerieke passage maakt een evenement tot mediale must. In het beste geval kan één of andere scandalitis nog wel voor een onverhoopte opkomst zorgen: een beslagname door het parket of een overdosis naakt. Tegen deze achtergrond staan de curatoren van de tentoonstelling 'Maakt kunst staat' - museumdirecteur Piet Vanrobaeys en uittredend commissielid Theo Claes - voor de ondankbare taak het Vlaamse aankoopbeleid tot een 'gearticuleerd parcours' om te toveren. Het is een poging om een selectie uit de verzameling 1992 - 1996 tot leven te roepen. Lazarus sta op: taal-tekens van Rombouts-Droste, tekeningen van Berlinde De Bruyckere, videowerk van Lili Dujourie, een installatie van Jan Vercruysse, olie op doek van Bert De Beul en Luc Tuymans, collages van Marc Schepers, een installatie van Guillaume Bijl, een botsauto van Thierry De Cordier, enzovoort. Alvast voldoende materiaal om ons gevoel van onoverzichtelijkheid nog te dupliceren. Zal de overwerkte KMO'er met inkomen onder studiebeursniveau, de adolescent in volle house-rage, de zwartwerker uit plichtsbesef, het huismoederlijk joch met kroost zonder haard, de misnoegde ambtenaar hinkend naar 55-plus....hier zijn gading vinden?

DE FILOSOFIE VAN THIERRY DE CORDIER

Om aan de verzuchtingen van deze leefwerelden tegemoet te komen, loont een overtocht naar Hasselt - alleen al voor het werk van De Cordier - ruim de moeite. De Cordier stuurt vanuit zijn 'kloostertuin' in Schorisse voldragen beeld- en tekstmateriaal de wereld in aan een tempo dat al even weinig klokvast is als het spoor. Vlaanderens kunstenaars kunnen echter aan dit oeuvre een puntje zuigen. Zelfs de essayist Stefan Hertmans kroop in zijn diepzinnige pen om de kunstenaar binnen te lijven in de barok waarvan filosoof Benjamin onze tijd verdacht. Maar om het werk van De Cordier te plaatsen kunnen we dichter bij huis blijven. De tijdsgeest die we thans doorleven heeft het modernisme nog lang niet uitgezweet. De moderniteit is niet alleen het massieve marmer van de Grote Verhalen, waarvan postmodernisten haar verdenken. De Verlichting heeft al van in haar eerstebroodsweken op gespannen voet geleefd met haar eigen toekomstplannen. De romantici - deze koele minnaars - hebben immers haar beginselen uitgehold. Van Novalis tot Marcuse! Niettemin bleven haar criticasters altijd even modernistisch! Filosofen die ervan overtuigd waren dat na de Shoah geen poëzie meer kon of mocht worden geschreven, verweten de oorlogsmachinerie een verraad aan de idealen van de moderniteit. Zelfs een Foucault ijverde, ondanks zoveel structuuranalyse, ten voordele van de bevrijding van de underdog. De klassieke thema's van het postmodernisme - het relativeringspleidooi, het gevoel van fragmentatie, het ironische spel van cynisme en wellust, de nivellering van elite- en massacultuur, de crisis van de identiteit, de dood van god - het zijn stuk voor stuk de schilfers van een pijnlijke versplintering in het hart van het moderne leven. Romanpersonages zijn al sinds het begin van de negentiende eeuw op zoek naar zichzelf en in de recensies van uw weekendkrant nog immer. Met de eisen van het moderne leven en een Integrale KwaliteitsZorg wenst toch geen mens zich onverdeeld neer te leggen. Er heerst de wetenschap van 'het is je dat niet'. Maar naarmate we opschuiven naar het einde van deze eeuw horen we toch andere geluiden dan dit type defaitisme. Het postmodernisme bezorgt ons teveel post, is teveel verschuldigd aan de pit van het modernisme. Een Thierry De Cordier echter belichaamt iets anders dan dat romantische ontsnappingsideaal waarin het absolute wel afwezig moet zijn en het werk slechts incompleet en gebrekkig. De beleden postmoderniteit berust schijnheilig in de afwezigheid van de ene waarheid en verhuist ze daardoor naar een nostalgisch oord buiten het dagdagelijkse. Romantiek van het zuiverste gehalte dus. Wie eeuwig wacht op een Godot die toch nooit zal komen, kan inmiddels uren zeuren over corruptie, liefdestekort, loonverlies, existentiële twijfel, maar voor dezelfde prijs feesten en lanterfanten. Maar wàt wanneer de Grote Afwezige in werkelijkheid aanwezig blijkt, ja zelfs woont in het lijf van de eigen geliefde, zij met wie je lief en leed deelt! Dan pas gebeurt er iets. Want wetend dat de poort tot het meest nabije op slot zit, ruikend de adem van wie jou uitlacht zonder hem ooit te zien, voelend wat niet voor jou bedoeld is.... Dan is er de angst. Het is slaapdronken en met grijpgrage vingertoppen tasten naar een droombeeld dat, hoe nader ook, zich als een horizon verwijdert. Deze ongrijpbare verleidelijkheid is echter niet langer een illustere Afwezige, zoals door religie of romantiek aanbeden en verheven, maar spreidt onbehaaglijk obsceen haar benen. Het sublieme biedt zich akelig banaal aan, als gold het een sollicitatiegesprek. De vragende partij zit plots op de stoel van het object van begeerte.

Het is precies dit levensgevoel waarvoor de werken van Thierry De Cordier staan. In het tweede deel van zijn Ecrits lees ik: 'Il serait comique de croire que la modernité existe autrepart que parmi nous. Dans l'Ailleurs qu'elle existe ou pas, n'a pas la moindre importance.'
Ik verklaar me nader: wandelend door een ondersneeuwde dreef, flitsen auto's onophoudelijk voorbij aan de einder. De romantische keuze bestaat erin niet te kiezen tussen illusie en werkelijkheid, blind voor het geweld van de fluisterasfalt. Maar De Cordier fluistert: 'Nous laisserons ce monde-ci aussi sot et aussi - aveugle - que nous l'avons trouvé en y arrivant.' Bij de verlichter Voltaire stond oorspronkelijk - méchant - in plaats van 'aveugle'. Het moedertalige Frans dat hij schrijft, blijft behouden in de titels bij zijn Vlaamse beelden. Het werk dat De Cordier in Hasselt toont heet 'Trou-Madame' (je weet wel, dat caféspelletje waarbij je met dertien schijven of balletjes doorheen evenzoveel 'trous' moet mikken): de rubberen band van een botsauto gevuld met de onthoofde buste van een dame met de knoopjes los. Alles zwart. Het heilige der heilige van de dame is aanwezig als gevulde matrijs. Ik hoor de kermismuziek. Het is de architectonische belichaming van een leegte. Het is de aanwezigheid van die 'trou'. Het is angst. Een romanticus is verdrietig, maar De Cordier vult het gemis met traumatische objecten. Zo maakt de staat - ongewild - toch nog kunst.

------------------
Tentoonstelling 'Maakt kunst staat?', een realisatie van Theo Claes en Piet Vanrobaeys,
Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten - Begijnhof, Zuivelmarkt 33 te Hasselt (011/211590)
di.- za. 10.00u. - 17.00u./ zo. 14u.- 17u. nog tot zondag 23 maart '97.