Logo Joannes Késenne

madpxl

Twee heren die dalen en klimmen

Retrospectieve Gilbert & George te Parijs

In Van Ostaijens gedicht het 'Alpejagerslied' dalen en klimmen twee heren in een omhooglopende, afdalende straat. Ze ontmoeten elkaar 'vlak voor de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers' en groeten elkaar door even de hoed af te nemen. Al dragen Gilbert & George geen hoeden, 'dalen en klimmen' zullen deze burgermannetjes - voor de gelegenheid zonder maatpak om het lijf - vast wel doen. Dit kunstenaarskoppel is al sinds 1968 even onafscheidelijk als onophoudelijk aanwezig op de kunstscène. Nauwelijks een jaar voordien hadden ze elkaar ontmoet op de St. Martin's School of Art te Londen. De Italiaan Gilbert Proesch en de Brit George Passmore hadden elk al ' één of andere ' kunstopleiding achter de rug, maar om de ' één of andere ' reden voelden ze zich aangetrokken tot het voort-gezette onderwijs dat Anthony Caro ter plekke verstrekte. Ze hielden deze verdere scholing evenwel vlug voor bekeken. De beslotenheid van de artistieke incrowd en het minimalistische ' l'art pour l'art ' uit die dagen beviel hen, naar verluidt, totaal niet. Laten we even luidruchtig als stilzwijgend aannemen dat ze toen voldoende hadden aan mekaar. Onder het motto 'Art for All' beginnen ze daarop elitaire performances op te voeren, 'Living Sculptures' genoemd. Ze treden op met onpersoonlijke gelaatsexpressies en gebaren, in poses van extreme zelfcontrole en gekleed in een stijve, ouderwetse stijl. Voortaan zal deze presentatie hun waarmerk worden van herkenbaarheid en vooral verkoopbaarheid. Zo bleven ze in 1969 op de trappen van het Stedelijk Museum van Amsterdam vijf uren stokstijf staan, tot ook alle aanwezigen wel moesten verstijven. Hun 'Wetten van Sculpturen' luidden onder meer: altijd vriendelijk wezen, respectvol en kalm, nooit discussiëren of kritiek uiten, de wereld laten geloven in ons etc. Het is overduidelijk dat het type succes dat Gilbert & George in de daarop volgende decennia te beurt viel binnen het commerciële kunstcircuit van in de aanvang alles te danken had aan hun stijl van overacting. Duchamp en Warhol waren hen namelijk daarin al voorafgegaan. En zich tégen de progressieve tijdsgeest van toen afzetten was uiteraard bon ton voor de toenmalige jetset uit de dure galeriewereld. Maar daarenboven wisten deze wonderboys een cocktail te verzinnen waarmee ze het tot op vandaag hebben weten uit te zingen.  Het recept van hun succes is een eigentijdse variante op het ' trompe-l'oeil ': het ' trompe-l'idée '.  Altijd opnieuw weten zij het kunstpubliek namelijk op het verkeerde been te zetten. Zo bekennen zij, ondanks hun flegmatische, burgerlijke verschijning, aan alwie het horen wil hoe innerlijk verscheurd ze toch wel zijn! Het heet dat existentiële problemen met seks, depressie, waanzin en agressie hun levenswandel doorkruisen. Ondanks hun old-fashioned, Englisch outfit, leven ze innig tesamen als multicultureel gezelschap! Ondanks hun anarchisme, hangen ze, voor ieder die het horen wil, aan Thatchers lippen (ze hadden te laat Diana's flair ingeschat)! En wie tégen hen is, moet steevast wel communist wezen! Ook dat nog. Ondanks hun pleidooi voor kunst als voer voor de 'gewone man', is er niet één iemand uit deze mythische klasse die hun softe provocaties lusten. (Maar 'de gewone mannen' (sic) houden nu eenmaal meer van pure porno.) Ondanks hun liefde voor de Torries, noemen deze uitverkorenen zich de 'enig ware socialisten'. Ondanks hun beleden strijd voor menselijkheid, verbannen ze elk likje vrouw overbewust buiten hun beeldvorming. Enzovoort, enzovoort.
 
Zo zouden we gerust nog een tijdje kunnen doorlullen, willen we hun verlanglijstje aan openlijke voorliefdes voor alles wat contradictorisch klinkt ooit volledig willen invullen. Kennelijk schuilt in dit type uitmelken van tegenstellingen ook hét grote geheim. In wat het Parijse museum een catalogus pleegt te noemen, maar eerder als een 'pomolieve' hagiografie oogt, lees ik in een interview met hen op pagina 92: 'In fact, artists like contradictions. We like contradictions. Everything we say, and make, is contradictory.' Het is dan wellicht al evenmin een contradictie dat ze al twintig jaar lang in monumentale formaten fotografische beelden laten aanmaken die toevallig dan wel zijn opgebouwd uit de handig kleine fragmenten van 60 x 70cm. Toevallig toch wel makkelijk vervoerbaar tussen Tokio, New York, Düsseldorf  en Londen, niet?

Al bij al zijn de werken uit de jaren zeventig nog best genietbaar. Hier ziet men nog de hand en de geest van creatief bevlogen jongens aan het werk. Het zijn gevoelvolle collages die met tekst en beeld de ruwe werkelijkheid binnenhalen. Vanaf begin jaren tachtig evenwel leven Gilbert & George zich graag uit in stripachtige karikaturen waarin vooral uitvergrote penissen, psychedelische bloemen, lekkere knapen, ingekleurde drollen en gespierd werkvolk - de associatie met de nazifotografie van Leni Riefenstahl is niet uit de lucht - tegen de achtergrond van grijze stadsgezichten het publiek geizelen. Maar met ingang van de jaren negentig wordt het pas goed feest. Sindsdien verblijdt het nog immer overgelukkige koppel de gas(t)vrije wereld met hun eigenste erecties, ontblote achterwerken, witte onderbroeken, bloedplasma's, spermavlekken, speekselafdrukken, zweetklieren en andere roerende goederen. En dit in al de oververzadigde kleuren die ons spectrum rijk is. Het koppel heeft het lont van de nieuwe generatie geroken. Opvallend toch wel dat veel hedendaagse kunstenaars, vaak nog niet eens halfweg hun carrière, 'in de knop gebroken' worden. Met alle respect, maar wie in de catalogus het haast evangelische, drammerige geëmmer van een Béatrice Parent, een Bernard Marcadé, een Wolf Jahn of een Rudi Fuchs erop navlooit, kan toch nauwelijks ontsnappen aan enige viscerale walging voor dit soort peptalk. Het is een type ophemeling waarin schrijvelaars alle pedalen lijken kwijt te raken. De narcistisch, microscopische etalering van hun lichaamsvochten, waarmee 'Janssens & Janssens' zichzelf wijsmaken een zo breed mogelijk publiek te kunnen bereiken, maakt in de feiten het proces van een type wild kapitalisme, waaraan onze kunstmarkt helaas ten prooi valt. Wanneer de welwillende lezer daarop hoopt in het interview met de meesters zélf een spermavlek van enige gedachte te kunnen lezen, komt evenwel bedrogen uit. Gilbert & George vertonen in hun denken eenzelfde kramp als in hun dwangmatige act op de catwalk. Niet alleen wanen zij zich ondanks hun tweemansschap niettemin één 'personae', daarenboven verdenken zij hun simplistische beelden van een diepzinnigheid die in de traditie van Caravaggio en Rembrandt geen gelijke zou kennen! Toen ik dit las, kon ik niet anders dan meewarig terugdenken aan de woorden die een kunststudente, iemand die zélf afgruwelijk slecht 'abstract' schilderde, ooit uitsprak. Op haar afstudeerexamen verklaarde ze trots dat het ' toch een makkie was om te schilderen zoals Van Eyck of Vermeer ' . Kuch. Kuch. Waarom toch bleven Gilbert & George niet gewoon even minimalistisch als hun mede-studenten?  Aan hun beider adres wilde ik graag enige verzen uit het volgende gedicht in herinnering brengen van Gavin Ewart: 'Office friendships':
'Sex suppressed will go berserk,
But it keeps us all alive.
It's a wonderful change from wives and work
And it ends at half past five.'

Joannes Késenne

-----------------------
Retrospectieve van GILBERT & GEORGE, een afrader,
Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, nog tot 4 januari '98.