Logo Joannes Késenne

madpxl

Kunst tussen overleven en overlevering

Beschouwingen bij de ILIAS van JAN COX

Er zijn levens die gebukt lopen onder explosieve splijtstof. Existenties waarvoor het hemelgewelf te zwaar weegt, de aardklomp te modderig is en de medemensen te ontgoochelend zijn. Persoonlijkheden die maar kunnen ademen in het hooggebergte en hun open wonden verstoppen achter werkdrift en bezieling. Zo'n leven had schil-der Jan Cox achter de rug, toen hij in de nacht van 7 op 8 oktober 1980 vrijwillig een punt zette achter de ellende. Ooit had hij zich zijn einde wel anders voorgesteld. Het was iemand die zijn huid - als van schilderslinnen - alleen maar wenste te verkopen voor de onsterfelijkheid van een artistiek genie. Voor minder zou zijn kunstenaarsziel passen! Maar zijn 'doute universelle' besliste er anders over. De galerie van de ABB te Leuven toont nu zijn Ilias-reeks: een verscheurende schreeuw van ontreddering. Bij eerste lezing een aanklacht tegen oorlog en verraad. Maar het bloedige inferno van Homeros dat hij in beeld bracht is tevens de uitvergroting van de eigen gekwelde ziel.

MET DE GESCHIEDENIS ALS LEERMEESTER

Inzicht en creativiteit leven dikwijls op gespannen voet met elkaar. Soms is het verlangen naar weten een sta-in-de-weg voor artistieke ontboezemingen. In een ander geval fungeert woeste creativiteit als purgeermiddel om pijnlijke inzichten af te voeren. Zo wordt de wereld van de beeldende kunsten herhaaldelijk geteisterd door opstoten van anti-intellectualisme die het sentimentele cliché van creativiteit als pure natuurkracht, als 'divinus furor' komen versterken. Kunstenaars tooien hun inspiratie graag met het maagdelijke gewaad van een onbevlekte ontvangenis, alsof ze zich schamen voor bezoedeling door ongewenst zaad. Zo niet Jan Cox. Hij was zich terdege - wie weet zelfs te goed - bewust van de cultuurhistorische herkomst van zijn expressies. Hij leefde met Leonardo en Alberti, met Cézanne en Van Gogh, met Picasso en Klee. En zoals naar verluidt onder Plato's hoofdkussen Aristophanes' Wetten lagen, sliep Jan Cox met de Ilias, een bizarrerie die hij overigens deelde met veroveraar Alexander de Grote!

En toch vertoefde Jan graag onder 'wilde' mannen. Enerzijds voelde hij er zich toe aangetrokken, zoals destijds bij de telgen uit de Cobra-generatie. Op een later moment omringde hij zich met een aantal 'angry young men' uit de Antwerpse
 
binnenstad na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten. De aantrekkingskracht die uitging van de avontuurlijke geweldenaars uit de Ilias, zal daar ook niet vreemd aan zijn. Anderzijds dan weer houdt zijn oeuvre de herinneringen warm aan een klassiek-literair erfenis, waarop zijn creaties eerder commentaren vormen, dan wel er goedkope illustraties bij te verzinnen. In zijn sterkste momenten - neem nu 'Achilles en de smekende Priamos' of 'Menelaos-Athene' - zijn Jans beeldingen te beschouwen als tekstinterpretaties. Het is een iconografie die uit het Griekse epos dramatische elementen plukt om, dankzij de plastische uitbeelding, aan de tekst toe te voegen wat door de verhaalhandeling achter de coulissen verdwijnt: de universeel-existentiële dimensie van conflictsituaties. De ingreep van de beeldende kunst vermag aan een momentopname de suggestie van eeuwigheid te verlenen, aan een plaats van handelen de illusie van heiligheid. Zo zijn Jans schilderijen haast iconen van antropologische structuren.

DE STRIJD VAN HOMEROS OF VAN COX ?

Tussen een vader - van vorming leraar, maar kunsthandelaar van beroep - en een moeder die schildert of piano speelt, groeit Jan op met de evidenties en de prikkels eigen aan een kunstzinnig nest. De bibliotheek van vader Cox is open jachtterrein voor het gulzige lezertje. Terwijl schoolkameraadjes knikkeren of koprollen, ontfutselt Jan aan de geschreven leer de geheime kennis van zijn vader. Daarmee maakt hij een entrée in de talige wereld die geen enkele 'betere' school ooit had kunnen nabootsen. Dat hij op de achterkant van het doek meetekent wat moeder schil-dert, is meer dan een pikante anecdote. Jan zoekt, in deze vereenzelviging van zijn creativiteit met de figuratie van moeders picturale scheppingen, naar een aanvaardbare plek binnenin het moederlijke verlangen. Deze oerscène vormt daarmee de prefiguratie van zijn eigen toekomst als schilder.

Deze verdeeldheid tussen vader en moeder, tussen woord en beeld, zal hem later blijven achtervolgen in zijn professionele twijfel tussen docentschap en schildersleven. Wanneer hij na zijn humaniora kiest voor een hogere artistieke oplei-ding, wordt hij al na enkele maanden ontmoedigd door het gebrek aan sérieux bij zijn medestudenten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Zijn rijpe geest zoekt dan ook naar verdieping in een universitaire studie aan de Rijks-universiteit van Gent. In 1941 studeert hij af als licentiaat in de kunstgeschienis met de scriptie 'De kunstenaar en zijn werk'. In deze proef voor de graad van licentiaat, leunt hij uiterst dicht aan bij zijn basisinteresse. En in zijn inleiding staat zijn fantasma ongecensureerd te lezen: 'Men wordt kunstenaar geboren'. In psychoanalytisch opzicht verraadt een
 
dergelijke geboortemythe het prille geloof in enig kunstenaarsschap bij de daad van verwekking. Een veredeling van de vaderlijke afstamming, zo men wil. Opvallend ook is dat hij reeds in 1941, in zijn beschouwingen bij het Griekse heldenideaal, zich afzet tegen 'de kortstondige roem en eer' die Achilles, de jonge held uit de Ilias, genoot! Achilles liet de 'uiterlyke glans van den roem' primeren op de 'moeilyke taak, het leven zelf tot schoone daad te maken'. Het is ontroerend deze idealistische passage te lezen tegen de achtergrond van de getuigenis die zijn voormalige echtgenote Yvonne van Ginneken later zal afleggen. Jan liep in Amerika ontzettend gebukt onder het uit-blijven van de grote doorbraak van zijn werk. Van Ginneken vertelt van zijn complexe jaloezie op zij die roem hadden en van de depressies die hem dan onderuit haalden. Zijn figuratief-expressionisme werd uit de markt gepest door de Pop-artcultuur uit die dagen. Het is wellicht maar na dergelijke mislukkingen dat Jan met enig uitstel in zijn eigen hart kon toelaten wat Nietzsche ooit in zijn vroege tekst '"Homerus'strijd" beschreef. Als fervente lezer van Nietzsche én Homeros kan het niet anders of Cox kende deze tekst. Daarin prijst Nietzsche het Helleense genie dat de drift erkende en gerechtvaardigd achtte. Nietzsche herinnert eraan dat de Grieken niet alleen de wrede kant van de godin van de tweedracht, Eris - namelijk de twist, de slechte oorlog - kenden, maar ook haar betere kant aanvaardden. 'Eris spoort ook de onhandige man tot werk aan. (...) Ook de pottenbakker voelt wrok jegens de pottenbakker en de timmerman jegens de timmerman, de bedelaar is afgunstig op de bedelaar en de zanger op de zanger.' Deze 'odium figulinum', deze zogenaamde 'be-roepsnijd der pottenbakkers', verlamde echter onze 'man in Amerika'. Voor rivaliteit mocht in de liefdevolle toewijding aan het kunstenaarsideaal geen plaats zijn.

Nadat hij in New York vaste voet aan grond vond in de galerie van Curt Valentin, had hij in '56 een aanstelling verworven aan The School of the Museum of Fine Arts te Boston. Zijn functie als artistiek directeur later slorpte veel van zijn energie op. Maar een herstructurering zou tenslotte zijn stevige greep op het artistieke beleid aantasten. Dit machtsverlies viel hem zwaar. Ook zijn creativiteit had aan slagkracht ingeboet. Hij die zijn studenten altijd gewaarschuwd had 'als scheppend kunstenaar in het onderwijs te verzeilen', werd het eerste slachtoffer van zijn eigen advies. Zo spoordde hij hen aan om op het thema van de Ilias te werken, terwijl hij zelf zijn verlangen alsmaar voor zich uit schoof. Jan Cox keerde in '74 na achttien jaar terug naar zijn vertrouwde Antwerpen en vond een veilige biotoop in het artistieke leven rond galerie De Zwarte Panter. Dan pas maakte de artistieke inhibitie van voorheen plaats voor de gedurfde agressiviteit van zijn Ilias-reeks. Toen pas liet hij zijn eigen agressie de vrije loop.

DE TIJD VAN HET KUNSTWERK

In Jan Cox vochten koppige tegenstellingen een afmattende strijd uit: de intellectueel tegen de kunstenaar, de kunstdocent tegen de vrije artiest, de oude wereld van de Europeaan tegen de nieuwe wereld van de Amerikaan, de schrijver tegen de schilder. De man die zich zo door de geschiedenis wilde laten onderwijzen, kreeg af te rekenen met het meest hardvochtige gelaat van het lot: in zijn ogen werd hij op het verkeerde moment geboren. Wie in de jaren '80 toevallig zou schilderen in de stijl van het type expressionisme dat bij de 'nieuwe wilden' opgang maakte, kon eventueel op de rijdende trein springen. Maar de jaren tachtig heeft hij niet meer mogen meemaken. Het is het fatum van 'het juiste moment', een willekeur van de geschiedenis die maakt dat een schilder net niet op tijd komt. Maar voor wie op tijd komen? In september 1977 schrijft Jan Cox een smekende brief aan zijn psychiater waarin de aandachtige lezer niet aan de functie van de betekenaar 'tijd' kan voorbijgaan. In de brief is deze betekenaar niet alleen aan de orde met betrekking tot de tijdsduur van de zittingen, de therapie, de hospitalisatietijd of de dagindeling, maar treedt hij manifest op de voor-grond in de opmerking over de 'tijd van het kunstwerk': 'Niemand die niet in de kunstwereld leeft, heeft een besef van de wreedheid en onmeedogenloosheid die zich daar afspeelt. Eén fout in timing en je kunt er gelegen hebben voor x tijd.' Jan Cox vroeg de psychiater om tijd om zijn Ilias-tentoonstelling voor te bereiden. Achter zijn vraag om werktijd horen we het verlangen naar een tijd die de Ander hem verschuldigd blijft. Een spiegeling in de vraag: in plaats van zichzelf tijd te gunnen, de anderen om tijd vragen. Het zijn of de anderen, of de 'tijdsgeest', of de geschiede-nis, die mij geen tijd gunnen. Welke tijd? De tijd van het eeuwige uitstel. Precies op dit punt voelde Jan de dwingende nood aan om wat hij schilderde meteen ook te symboliseren, in de cultuur in te schrijven: de talige symboliseringen, noodzakelijk voor een goed begrip van zijn werk, verschijnen op het scherp van de snede: op het moment wanneer hij de agressiviteit wil ter sprake brengen. Jan was wellicht te moreel, te welopgevoed, te gecultiveerd om de agressie die op hem, via de gesublimeerde versie van de Ilias, een aantrekkingskracht uitoefende, bij zichzelf te onderkennen.  

Zo komt de Ilias-reeks tot ons als een document humaine van de innerlijke strijd die in elk kunstenaar woedt tussen de narcistische vraag om publieke erkenning en het onbewuste verlangen van het subject. Voor dit onstilbaar verlangen moet echter elke erkenning, hetzij van de verzamelaar, hetzij van de kunstliefhebber, fataal aan zijn doel voorbijschieten. Dit verlangen wijkt niet voor de verleiding van een compromis.

 
DE WRAAK VAN ACHILLES OF VAN AJAX ?

In zijn inleiding op de catalogus bij de vertoning van de Ilias in het Casino-kursaal te Oostende, schreef Jan Cox ooit: 'Ik heb al die jaren geleefd met de melancholie van desillusie en het haast schuldige gevoel voor mijn miraculeuze overleving'.

Dit schuldgevoel wordt inleefbaar door de pakkende rede van Jo F. Du Bois bij het graf van Jan Cox: 'Een voorval uit je jeugd was je echter als een gruwel bijgebleven. Tijdens een reis in Duitsland met je vader, had je op straat een jood - een mens - door voorbijgangers zien doodtrappen en verminken. (...) Als een nachtmerrie bleef dit beeld van zuiver kwaad en zinloos geweld je achtervolgen.'
Ook in de Ilias staat een beroemde passage waarin de gruwelijke aantasting van een dood lichaam ten tonele wordt gevoerd. Achilles wreekt zijn gedode boezemvriend Patrocles door moordenaar Hector op zijn beurt uit te schakelen en vervolgens achter zijn wagen zeven keer in volle vaart rond een heiligdom te slepen. Op die manier verwerkte Jan Cox zowel deze traumatische beelden, als de reactie van zijn vader: het dichtknijpen van zijn handjes. 'Doorlopen!'
De Ilias is de geschiedenis ingegaan als het verhaal van de wraak van Achilles. Agamemnon, zijn hogere in rang, pakt Achilles zijn liefje af. Uit pure nijd gaat de onoverwinnelijke dan als een mokkend kind met de vingers zitten draaien tot de Grieken in de pan worden gehakt. Eerst moet zijn beste vriend sneuvelen en hem zijn snoepje worden teruggeven, vooraleer de fameuze held zich roert en met blinde, ongecontroleerde gewelddadigheid de beslissende afrekening voltrekt. Het is precies deze agressie, waarvan Cox de sporen in zichzelf verdrong, die hij voor zich uit schoof en die hem bang maakte.
Er waart nochtans een andere figuur door de Ilias waarover Jan in alle toonaarden heeft gezwegen. Het is Ajax, één van de eerste, ons bekende archetypen van de waanzin uit de Griekse oudheid. In de Ilias gedraagt hij zich als één der moedigste strijders die de aanvallen weerstaat of de aftocht dekt. Later - in de Odyssea - is het precies de moedige Ajax die na Achilles'dood, de rivaliteit om diens opvolging aan-durft met Odysseus. Hij beantwoordt de pijn van zijn nederlaag echter met waanzin: in uitzinnige toorn moordt hij een troep schapen uit die hij aanziet voor Grieken. Hij bestraft zichzelf met de vrijwillige dood: hij stort zich op het eigen zwaard.

De wraak van Ajax ontbreekt in zijn Ilias-reeks, zoals hijzelf eraan ontbreekt. Maar met zijn zelfgekozen dood pleegde Jan geweld op de kunsttoeschouwer, hij die hem niet had erkend. Stortte hij zich immers niet op zijn zwaard als toeschouwer van één van zijn meesterwerken?

PLAATS VOOR NIEUWE

Eén van de krachtigste metaforen uit de Ilias-reeks is evenwel een vreemde eend in de bijt. Op basis van een droombeeld uit 1954 schildert Jan twintig jaar later het werk 'Plaats voor nieuwe' waarin christelijke kruisjes van een soldatenkerkhof ingevoegd worden in een Griekse heldensage. In het televisie-interview  'Ten Huize van Jan Cox' benadrukt hij het universele karakter van elke soldatendood. 'Nou goed, dat is dus een droom, uit het onbewuste, het in beelden omzetten van ideeën en angsten, die we gehad hebben tijdens de dag en die zich in mijn droom kristalliseren in beelden en die ik dus schilder. Op die manier gaat het.' Het doek is geordend als een associatieve keten van droomfragmenten in een tijdsverloop: een soldatenkerkhof, ventjes die kegelen met de nullen van het aantal doden, tranend bloed, een doodshoofd en een spons. Spons erover: er is plaats voor een nieuwe strijd. Deze close-up van een absurde herhalingsdwang in de geschiedenis verheft Jan tot filosofische dimensies: het fatum van de eeuwige zelfvernietiging. Tegelijk licht zijn toelichting opnieuw een tipje op van de sluier van zijn tijdsbeleving. Meerdere keren heeft hij gezegd dat de 'Ilias' zijn 'Guernica' was. Tevens citeert hij met instemming Picasso wanneer deze, overweldigd door een vloedgolf aan creatieve ideeën die hij niet kan bijhouden, zegt: 'Ik heb nooit tijd om de dingen af te maken'.  Het is precies op deze zere plek dat het werk 'Plaats voor nieuwe' - waarvan Jan overigens zelf ontzettend veel hield - tot metafoor wordt van zijn artistieke roeping: iets nieuw komt altijd op de plaats van iets anders. 'Hoe meer dat je werkt, je krijgt steeds meer werk', vond hij. Terwijl je aan't werk bent, leef je al in het volgende werk. Zo kondigde de christelijke symboliek van 'Plaats voor nieuwe' avant la lettre de volgende reeks aan waarmee Jans oeuvre tenslotte door zijn dood wordt afgebroken: de 'Martelgang', het lijdensverhaal van Christus. Is ook niet precies het christendom dé godsdienst die van 'uitstel van leven' haar waarmerk heeft gemaakt?

Maar Jan stierf met zijn meesterlijk schilderij 'De dood van Socrates' voor ogen.  Op Socrates' voeten schilderde Jan de 'haan van Asclepius', afkomstig uit Socrates' laatste woorden: 'Crito, we zijn Asclepius nog een haan schuldig.  Wel vergeet niet hem die te geven.' De genezer Asclepius kreeg van de mensen telkens een haan ten geschenke als dankbetuiging voor een genezing. In zijn ultieme daad van levensbeëindiging voelde Jan zich genezen van het leven. Zo schonk Cox aan Socrates alsnog zijn 'Coq'.   

------------
Dit artikel is tot stand kunnen komen op basis van het informatieve materiaal uit het Cox-archief van Adriaan Raemdonck (Galerie De Zwarte Panter) én de licentiaatsscriptie van Philipe Pirotte 'Jan Cox: De martelgang. Een humanistisch kunstenaar en zijn reactie op de crisis in de westerse cultuur.' (Universiteit Gent, 1995)
------------------
De tentoonstelling 'PLAATS VOOR NIEUWE, de Ilias van Homeros van Jan Cox' vindt plaats in de ABB-galerij, Hoekgebouw Diestsevest-Diestsestraat te Leuven.
open op werkdagen van 9u. tot 16u.
op zaterdag van 14u. tot 17u.
gesloten op zondag
(nog tot 16 maart 1996)