Logo Joannes Késenne

madpxl

In de ban van de ring

In de geschiedenis heeft kunst altijd een prominente plaats bekleed in het internationaliseringsproces. Op de kunstscène werd gisteren én wordt vandaag nog altijd een strijd uitgevochten tussen regionale en universele tendensen. Het podium van de kunsten biedt immers de kans aan wat nieuw en/of vreemd is, om op neutraal terrein oefenwedstrijden te spelen met de grote traditie. Binnen deze context heeft de Provincie Limburg en de Stad Hasselt samen een moedige venieuwing weten te realiseren. Het kunstproject ‘In de Ban van de Ring’ is uitgegroeid tot een innoverende kunsthappening. En dit, ondanks de afgunst en de arrogantie van de verenigde persjongens en -meisjes uit het centrum van het land (begrijpelijk, al die negatieve dagbladpers uit de overgesubsidiëerde driehoek Brussel-Antwerpen-Gent), ondanks de weigering tot ondersteuning vanwege de inmiddels met hun zitjes vergroeide leden van de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap. Niettegenstaande is ‘In de Ban van de Ring’ gewoon het bèste wat in Vlaanderen de afgelopen tijd te zien was. De tentoonstelling geeft een eigentijds beeld van de swingende technosfeer die zich op de internationale scène manifesteert. Misschien moet dit ‘ondanks’ beter een ‘dankzij’ worden! Want indien het allemaal had moeten afhangen van déze keure onsterfelijken uit de Beoordelingscommissie Beeldende Kunst, had deze vrolijke sterfelijkheid wellicht nooit het levenslicht mogen zien.

ILLUSOIRE WERKELIJKHEID OF WERKELIJKE ILLUSIE ?

Tegen de achtergrond van de geschiedenis van de Hasseltse ring realiseerde de Duitse kunstenares Judith Samen een reconstructie van negentiende eeuwse boulevardpaviljoentjes, op die plekken waar de burgers elkaar destijds ontmoetten op zondagmiddag.  Zij presenteert op het eerste zicht onwezelijke beelden van vrouwen achter hopen frieten of aardappels. Het mag de toeschouwer echter niet ontgaan dat zij zonder schroom een type vrouwelijke absurditeit wil evoceren die verder gaat dan elke huisvrouwenpraktijk. De reductie van vrouw tot prei, wortel of friet is haar item. Iemand als Ivo Konings realiseerde een pakkende video waarin hij de wereld vanuit het perspectief van rolstoelgebruiker toont. Hoe bijvoorbeeld tijdens een vernissage de trappen van het museum bestijgen? Of zelfs maar binnengeraken overheen een tepel van een begijnhofhuisje. Hij geniet niettegenstaande het benijdenswaardige voordeel op vernissages steeds op bilhoogte te mogen converseren.  Een Zjuul Devens creëerde een bijzonder intrigerende projectie van zijn eigen lichaam in gelaagde niveau’s. Ik kan de lezer helaas het geheim van deze bijzonder esthetische ervaring niet onthullen.

Maar wanneer ik in Hasselt cirkel omheen de installaties en sculpturen, de foto’s en video’s op me laat inwerken, zoals elke tentoonstelling dit vraagt, overvalt me hier niettemin een onwennigheid, een onrust, een onbehagen. Ik moet onwillekeurig terugspoelen naar mijn lectuur van het verhaal ‘Amerika’ van Franz Kafka. Dat moet stammen vanuit de tijd van mijn wilde haren. Toen ik er nog had. Op het uur van de hoogmis, het uur toen elke regel van de Praagse melancholicus aan de binnenkant van mijn hersenpan bleef plakken. Ik heb de destijds onderstreepte passage terug opgezocht. Het personage, Karl Rossmann, dat uit Europa hals over kop in Amerika belandt, mijmert: ‘De eerste dagen van een Europeaan in Amerika konden haast met een geboorte worden vergeleken en hoewel je hier wel sneller wende - daar hoefde Karel niet onnodig bang voor te zijn - dan wanneer je van gene zijde de menselijke wereld betrad, moest je je toch voor ogen houden dat het eerste oordeel altijd op losse schroeven berustte en dat je daardoor misschien niet alle toekomstige meningen, met behulp waarvan je hier toch je leven zou moeten voorzetten, in de war moest laten brengen. Hij had zelfs pas aangekomenen gekend, die bijvoorbeeld, in plaats van zich volgens die goede principes te gedragen, dagenlang op hun balkon als verloren schapen naar beneden in de straat hadden staan kijken.
Dit was de uitdrukking die ik zocht: als een pas aangekomen, verloren schaap vanop een balkon de mensen daar beneden staan aangapen. Zo keek ik aanvankelijk naar de nieuwe beelden van ‘In de ban van de ring’. Alsof ik vanop een hoger plan erop kon neerkijken, namelijk. De filosoof Baudrillard moet ooit verteld hebben dat hij pas bij het verlaten van Disneyland het gevoel had het echte, alomvattende ‘simulacrum’ te betreden. Dit moment van herkenning. In de romanwereld van Kafka handelt het om een Europeaan die pas in Amerika aantreft hoe Amerikaans de Europeanen zelf wel zijn. Het is dit wat ‘In de ban van de ring’ uitdrukt. Maar inmiddels gaat het al langer niet meer om Amerikanen alleen. Het gaat nu ook om Aziaten en straks Afrikanen. Komende uit de zogenaamde werkelijkheid, herkennen we in de kunstmatigheid maar pas goed de vertrouwelijke werkelijkheid waarin we slapend vertoeven. We merken niet hoe gekunsteld onze zogenaamde werkelijkheid in wezen is! Of  beter gezegd: altijd al geweest is. Als straks extreem geminimaliseerde computers in onze cellen het verouderingsproces zullen afremmen, en de gemiddelde leeftijd tot 100 jaar wordt opgetrokken - dit is geen science fiction, maar iets voor morgen - , is dan daarom het biologische leven plots iets kunstmatigs geworden?  Of zoals kunstenaar Francq Volders het op de vorige Biënnale van Venetië boven de massa uitschreeuwde midden het San Marcoplein van Venetië: ‘This is Las Vegas!’. Authenticiteit is nu eenmaal een veelal verkeerd begrepen leugen om regionaal narcisme te camoufleren. De structuur van een zogenaamd ‘authentische’ werkelijkheid is in wezen al even ‘gekunsteld’ als elke gecreëerde werkelijkheid. Uiteindelijk is dit de ultieme inzet van ‘In de Ban van de Ring.’

OOST BEST, THUIS MEST

Geconfronteerd met de kunst van een Chen Zhen, Kenji Yanobe, Choi Jeong Hwa, Kyoko Murase, Lee Tzu-Hsun, Yukado Ando, Takakazu Takeuchi moet een criticus wel plots zijn brilglazen poetsen. In het NRC-Handelsblad van 18 juni  presteert bijvoorbeeld een Hans den Hartog Jager het zelfs om de aanwezigheid van Chinezen op de Biënnale van Venetië af te doen als ‘een westerse vormentaal’. Westerse kunst zou immers de ‘lingua franca van de internationale kunst’ uitmaken. Hij meent dat wat thans aan Oosterse input gebeurt op de actuele scène te Westers oogt. Toch wel een mooie postkoloniale kronkel. Het tegendeel is waar. De kunst van de twintigste eeuw is ondenkbaar zonder de invloed van het zogenaamde ‘primitivisme’ uit Afrika en Oceanië. En wie ook vandaag kijkt naar de hype video’s van een Bill Viola, bijvoorbeeld, kan er niet naast kijken hoezeer het zenboeddhisme daarop zijn stempel drukt. Standpunten à la Hans den Hartog Jager getuigen uitgerekend van een typisch Westers verlangen naar romantisch exotisme. Het Oosten moet in hun ogen het totaal àndere vertegenwoordigen, een mythische oase, een authentisch niemandsland. Hetgeen zich nu precies op de ‘Biënnale’ van Venetië en in ‘De Ban van de Ring’ te Hasselt ten voeten uit manifesteert, is de emancipatie van een type internationalisme waarin interactie zegeviert. Overigens hoeft een beeldtaal die radicaal kiest voor nieuwe media niet langer lippendienst te zijn verschuldigd aan lokale anecdotiek. De historische eigenheid overleeft in het hart van de mensen, niet in de gebruikte media of in een regionaal patent op een bodemgebonden vormentaal. Een Japanner in Tokio zet ‘s morgens zijn koffieapparaat niet anders aan of uit dan wij. Maar de geestelijke beleving waarmee hij of zij dat doet, kan grondig verschillen. Het Westen verschilt niet van het Oosten in de gebruikte materialen of technieken, maar wel in het artistiek idioom. De Amerikaanse Chinees Chen Zhen ontwierp een installatie waarin hij met name deze thematiek aansnijdt. Hij stelt dat de tekens steeds meer op elkaar gaan lijken. ‘East meets West’ krijgt vorm in een besloten kunstenaarsatelier waarin de objecten gemixt zijn. De spijkermat van een Indische fakir op een matras van tante Kaat, bijvoorbeeld. Iconen van de Chinese volkscultuur integreert hij binnen de Westerse welvaartmaatschappij. Maar dat de betekenisdragers vervloeien, houdt nog niet in dat de betekenisgeschiedenissen vervluchtigen. Die lijken zich precies sterker, meer uitgesproken te profileren. De Japanner Kenji Yanobe bijvoorbeeld vult een museumzaal met kleurrijke, fantasierijke mobiele voertuigen en robotten. Fictieve machines als parodie op de Japanse obsessies voor technologische snufjes. Hier zijn we pas ‘In de Pan van de Bingo’. Hij toont daarmee hoe fantasieloos de kapitalistische productiewijze - een uitermate geïnternationaliseerde eenheidsworst - de leefwereld met standaardobjecten overspoelt. Maar precies door deze sprookjesfiguren in een hedendaags, technologisch plunje te steken oogt het geheel uitermate Japans. Een verkeerd begrepen internationalisme walst de verschillen plat. Het type internationalisme waarvan zowel ‘In de Ban van de Ring’ als de ‘Biënnale’ van Venetië heden getuigt, geeft precies ademruimte aan de spanningsverhouding tussen Oost en West. De computermanipulaties die Francq Volders met fotomateriaal uitvoert integreren de Amerikaanse Westerncultuur in onze hedendaagse levenswijze. Hij realiseert binnen het concept van ‘In de ban van de Ring’ de rake performance ‘Hasselt West’ (naam van een afrit op de autosnelweg) door de trek naar het Westen te evoceren. Met huifkar, runderen en paarden trekt hij rond de ring op eenzelfde ingetogen wijze als een Katholieke processie in de Mariamaand mei zijn gang zou gaan. Dit is pas internationalisme comme il faut.

Er gaat nu eenmaal niet noodzakelijk een ander psychologie, maar wel een àndere filosofie schuil achter de grote diversiteit aan culturele beleefdheidsformules. Wie dit ooit heeft ontdekt, weet wat multiculturalisme betekent: Erotiek.

Er schuilt een paradox in het hart van het kunstwillen. Precies op deze schijnbare tegenstelling legt de tentoonstelling ‘In de Ban van de Ring’ de vinger. Hoe sterker de kunst onze iconen van het moderne leven uitvergroot of onder de microscoop legt, hoe feeërieker, sprookjesachtiger, fantasmatischer, fictiever, kunstmatiger ook die kunst oogt. Hoe dichter de kunst het reële leven namelijk benadert, hoe irreëler haar stijlidioom. Met de profetische blik waarmee de filosoof  Friedrich Nietzsche ruim een eeuw geleden binnengluurde in onze eeuw, kunnen we thans beamen:

        ‘De kunst, als de goede wil tot schijn. (...) En juist omdat wij in laatste
         instantie zware en ernstige mensen zijn, eerder gewichten dan mensen,
           doet niets ons zo goed als de zotskap: die hebben we nodig ten overstaan
         van ons zelf.’

Deze goede wil tot schijn lijkt pas in onze dagen aanvaardbaar, te verdragen, inleefbaar. Zo is er een bijzondere affiniteit gegroeid tussen de wereld van de mode en deze van de beeldende kunst. De relatie tussen kunst en werkelijkheid verschilt namelijk nauwelijks van deze tussen kleding en lijf . Zoals onze blitse naaktmodellen van vandaag het ideaal van de nuda veritas begraven en eenieders bloot slangenvel evengoed als kledingstuk fungeert, zoals kleding ook niet langer iets hoeft te verhullen of te onthullen, zo verwijst kunst niet langer naar iets verborgens, iets deep inside. Naaktheid als de laatste sluier van de ziel. Kunst reveleert precies - àls overbodige luxe - de essentieloze essentie van onze werkelijkheid zelf: de werkelijkheid als schijn, als ‘simulacre’. Het naakte lichaam heeft zijn eigen huid herkend in de kunstvezels op de catwalk. Mode is op zijn best als tatoeage, niet anders dan wanneer graffitikunstenaars de verboden holten van het maatschappelijk lichaam aankleden met kleurrijke toverspreuken. In de kunst van Mariko Mori lopen nepwerelden in mekaar over via computermanipulaties, Karen Oldenburg bespeelt de valse schaamte van kunstvoyeurs zoals alleen maar een vrouw een man kan betoveren, Bill Viola schildert met transparante videobeelden de intieme eenheid van mythe en werkelijkheid, de Gebroeders Dalemans actualiseren in levende lijve het aura van retro.  Zo geraak je nog in de ban van de ring.

-------------------
Tentoonstellingsproject ‘In de ban van de ring’, nog tot 12 september in de hele binnenstad,
Vertrek: Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten-Begijnhof, Zuivelmarkt 33 te Hasselt
Open: di - zat van 10u. - 17u.
          zon van 14u. Tot 17u.
Info: 011 29 59 92 of 011 29 59 93


J’ACCUSE

In volle komkommertijd valt de rode nieuwsbrief van de Afdeling Beeldende Kunst en Musea van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in mijn bus. Antwerpenaar Guillaume Bijl heeft meer subsidie ontvangen dan de hele provincie Limburg samen: 450.000 BEF op het rekeningnummer van de Heer Bijl, 290.000 BEF op het rekeningnummer van Mevrouw Limburg. Een prestatie waarop Commissievoorzitter Jef Cornelis fier is. Hallo, Minister van Cultuur Bert Anciaux, hebt u dit gehoord?  Dit is wat de nochtans vorig jaar gewaarschuwde Beoordelingscommissie Beeldende Kunst heeft gepresteerd over het werkjaar 1998. Cynisme ten top. Pagina 13: ‘Quasi geen subsidiemiddelen gingen naar Limburg’. Dit jaar formuleert het afdelingshoofd van de administratie, de uit Maaseik afkomstige Jan Verlinden, het gemakkelijkheidshalve maar zelf. Van al het Vlaamse geld stroomt slechts 2,20 % voor beeldende kunst terug naar Limburg. Uiteraard verdragen artistieke normen niet dat toegegeven wordt aan regionale reflexen. Zo oordeelt de commissie. Laat mij lachen. Waarom halen de puur regionale reflexen van de Gentenaars en de Antwerpenaren het dan wel? We kennen hun sofistische argumentaties al lang: Limburgers brengen te weinig aanvragen binnen. Maar van de dossiers die effectief werden ingediend keerden er teveel nauwelijks beargumenteerd terug naar af: Ireen Judong, Francq Volders, het kunstproject ‘In de Ban van de Ring’. Het is een vicieuze cirkel. Omdat naar verluidt de Provincie Limburg graag kunstenaars en initiatieven van eigen bodem ondersteunt, acht de Vlaamse Gemeenschap het overbodig nog verder bij te schieten. Maar de waarheid is omgekeerd. Omdàt de Vlaamse Gemeenschap aanvragen uit Limburg haast  nooit ondersteunt, is de Provincie Limburg op een bepaald moment willensnillens wel moeten overgaan tot ondersteuning. Ondertussen vrijen de commisieleden - Jef Cornelis, (voorzitter), Lief Brijs, Chantal De Smet, Jan Hoet en Johan Pas - elkaar verder goed op. De nieuwsbrief vermeldt doodgemoedereerd dat er in oktober 1998 een nieuwe commissie was aangetreden. Welwel, een commissie die zichzelf opnieuw heeft aangesteld moet wel erg nieuw zijn! Want ik lees in de Nieuwsbrief van okt./nov.1997 nr 79 dezelfde namen onder de elf ‘nieuw’ samengestelde commissieleden. Nieuw van begin ‘97 heette het toen. Inmiddels kan Tuymans zijn tuintje van het Antwerps NICC rustig verder wieden en kan ondervoorzitster en ‘huiscurator’ Barbara Vanderlinden, door de Vlaamse Gemeenschap voor elk kunstproject goed bevonden, het presteren om de videokunst van haar eigen voorzitter Jef Cornelis te promoten in ‘Fascinerende Facetten van Vlaanderen’ in Portugal en Antwerpen. Allemaal met Limburgs belastingsgeld. Wel een fascinerend onderonsje daar. Inmiddels verschuilt de commissie zich ijverig achter loze formele regeltjes om de vriendjespolitiek op de as Antwerpen-Gent-Brussel verder veilig te stellen. De Limburgse kunstenaars zouden allemaal naar Gent, Antwerpen en Brussel uitwijken, weet ze te vertellen. Nogal wiedes. Wanneer het nu eenmaal broodnoodzakelijk is om onder de paraplu van commissieleden te leven, moeten de Limburgers wel elders onderdak zoeken. Dit is de kern van het hele probleem. En dààr heeft een subsidiepolitiek de plicht de zaken recht te trekken. In een provincie als Limburg is het nodig ‘ter plaatse’ kwaliteitsvolle kunstprojecten te kunnen opzetten. Zoals ‘In de Ban van de Ring’ dit bewijst. Dan is het niet langer nodig dat Limburgse kunstenaars in hun heilige driehoek hoeven te vertoeven. De commissie uit het centrum heeft bewezen alle elementaire regels van goed fatsoen met de voeten te treden. ‘Indien men mij zou laten spreken’, hoop ik dat de nieuwe minister van cultuur déze commissie zal wandelen sturen. En een onderzoekscommissie aanstellen! Il faut.